[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigden: mr. M. Moddejonge en mr. S. van der Steeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser dat rechtstreeks is ingesteld tegen de fictieve weigering van de minister om zijn verzoek op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) in behandeling te nemen.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat aan de procedure vooraf ging
2. Eiser heeft op 12 en 13 maart 2024 een herhaald verzoek tot rectificatie van zijn justitiële gegevens in de justitiële documentatie ingediend. Volgens eiser is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser wijst daarbij op een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2024:30), waaruit volgens hem volgt dat de verdachtmakingen tegen hem ten onrechte zijn en de strafzaak tegen hem vanwege zijn deelname aan een demonstratie op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden.
3. Op 22 maart 2024 heeft de minister aan eiser een zogeheten ‘stopbrief’ gestuurd. In de brief staat vermeld dat de minister niet meer zal reageren op berichten en terugbelverzoeken van eiser met de strekking dat zijn justitiële documentatie per direct moet worden verwijderd. Deze stopbrief heeft de minister verzonden onder meer omdat eiser vaker verzocht heeft om verwijdering van zijn justitiële gegevens, deze verzoeken door de minister ongegrond zijn verklaard en de rechtbank het beroep in een van de zaken ook ongegrond heeft verklaard. Ook heeft de minister meermaals (telefonisch) contact met eiser gehad en uitgelegd waarom de justitiële gegevens in de justitiële documentatie zijn gedocumenteerd. De minister heeft aangegeven dat het telkens om een herhaling van zetten gaat.
4. Eiser heeft zijn verzoek tot rectificatie herhaald in e-mailberichten van 2 april 2024, 15 april 2024, 19 april 2024, 22 april 2024 en 3 mei 2024.
5. Op 3 mei 2024 heeft de minister een ontvangstbevestiging van het verzoek om rectificatie aan eiser verzonden. Diezelfde dag heeft de minister aan eiser medegedeeld dat de ontvangstbevestiging van het verzoek om rectificatie per abuis aan eiser is verstuurd.
6. Eiser heeft vervolgens op 6 mei 2024 beroep ingesteld en daarbij expliciet aangegeven dat het gaat om een rechtstreeks beroep.
De rechtbank is niet bevoegd
7. De rechtbank ziet zich allereerst (ambtshalve) voor de vraag gesteld of zij bevoegd is te beslissen op onderhavig rechtstreeks beroep van eiser.
8. De rechtbank constateert dat het in deze zaak gaat om een rectificatieverzoek waar nog niet door de minister op is beslist. Naar het oordeel van de rechtbank is de mail van 3 mei 2024 van de minister, met daarin vermeld dat het om een abusievelijke ontvangstbevestiging gaat, aan te merken als een schriftelijke weigering tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 6:2, onder a, van de Awb. De minister heeft dit bovendien ook in beroep en op de zitting erkend en bevestigd. In zoverre is er dus sprake van een besluit waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden.
9. Op grond van artikel 7:1a van de Awb moet eiser eerst bezwaar maken voordat hij een rechtstreeks beroep kan instellen bij de rechtbank. De rechtbank constateert dat eiser nog geen bezwaar tegen de schriftelijke weigering heeft gemaakt. Evenmin heeft eiser een bezwaarschrift ingediend waarin wordt verzocht om een rechtstreeks beroep. In zoverre is er dus niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het indienen van een rechtstreeks beroep. Dat betekent dat de rechtbank niet bevoegd is en het beroepsschrift had moeten terugverwijzen naar de minister als bezwaarschrift. Dit laatste is bij de rechtbank in het vooronderzoek niet onderkend. Als gevolg daarvan is de zaak behandeld op een zitting. Op de zitting is deze formele situatie ook aan de orde gesteld. Partijen hebben expliciet en nadrukkelijk de wens geuit om de zaak niet terug te verwijzen, maar de rechtbank verzocht om de zaak inhoudelijk te behandelen. Op de zitting is ook het inhoudelijke verzoek van eiser en het standpunt van de minister daarin inhoudelijk besproken.
10. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de uitdrukkelijke wens van partijen om tot een einde van het geschil te komen, strekt het naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden te ver om zich in weerwil van artikel 7:1a van de Awb bevoegd te verklaren. Daarbij is het van belang dat het hier gaat om een schriftelijke weigering om een besluit te nemen op een verzoek van eiser. Dat betekent dat als de rechtbank zich wel bevoegd zou verklaren, zij zich eerst gesteld ziet voor de vraag of de schriftelijke weigering om het verzoek in behandeling te nemen, juist is. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord door de rechtbank, zou dat in beginsel ook tot terug verwijzing naar de minister moeten leiden. De gewenste inhoudelijke finale geschilbeslechting zou onder die omstandigheden alleen kunnen worden bereikt als de rechtbank vervolgens toch de zaak inhoudelijk aan zich trekt en zonder dat er enig besluit van de minister is of is geweest op voorliggend rectificatieverzoek, zelf een oordeel vormt over het herhaalde rectificatieverzoek. Naar het oordeel van de rechtbank zou dat betekenen dat de rechtbank op de stoel van het bestuursorgaan zou gaan zitten. Het is immers primair aan de minister om het rectificatieverzoek en de vraag of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb te beoordelen en hierover een schriftelijk gemotiveerd besluit te nemen.
10. Om deze redenen ziet de rechtbank toch aanleiding om zich onbevoegd te verklaren en het beroepsschrift als bezwaar terug te verwijzen naar de minister.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Dat betekent dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep.
13. Op grond van artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 wordt, indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift geen griffierecht geheven. Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser wordt terugbetaald.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.