RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
Dienst Toeslagen, verweerder,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1164
(gemachtigde: mr. W. Kort),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 12 februari 2025 dat verzoeker heeft ingediend, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 12 september 2022 tegen een besluit over herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 19 februari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat zij op 18 september 2024 een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het beroep niet tijdig beslissen dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard volgens verweerder.
Verzoeker heeft op 3 maart 2025 op het verweerschrift van verweerder gereageerd. Hierin geeft verzoeker aan dat hij (dan wel zijn gemachtigde) de beslissing op bezwaar niet eerder heeft ontvangen, omdat verweerder deze heeft gezonden naar een verkeerd adres. Verzoeker geeft aan bereid te zijn de procedure in te trekken, een en ander enkel onder toekenning van een volledige proceskostenvergoeding.
De rechtbank heeft verweerder op 10 maart 2025 verzocht om op voornoemd standpunt van verzoeker te reageren. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen van verweerder.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
Proceskostenvergoeding
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Aangezien de rechtbank op haar verzoek om een reactie van verweerder op het verzoek van verzoeker om een proceskostenvergoeding geen reactie heeft ontvangen, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder daartegen geen bezwaar heeft. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen als volgt vast, waarbij de vergoeding wordt berekend met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
4. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van A.C. van de Biesebos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.