RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2676 en UTR 25/3130
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres) uit [plaats] , samen te noemen: eisers
en
(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).
1. Deze uitspraak gaat over de herziening van eisers pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (Aow) en de verhoging van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio). Eisers zijn het hier niet eens. Eisers beroepsgronden komen er in de kern op neer dat zij het niet eens zijn met de systematiek van de Aow en de Participatiewet (Pw), waarop de Aio-aanvulling is gebaseerd. Zij willen voor deze wetten als aparte individuen worden gezien en niet als eenheid/gezin. Dit zou er dan toe moeten leiden dat elk van hen afzonderlijk een individuele uitkering dient te krijgen conform het bestaansminimum. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers verwezen naar diverse bepalingen in de Grondwet en in Europese en internationale verdragen en zij stellen dat de besluiten van de Svb daarmee in strijd zijn.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
2. Op 8 juni 2021 heeft de Svb met ingang van 12 juli 2021 aan eiser een voorschot op zijn Aow-pensioen toegekend naar de norm van een gehuwde met een korting van 22%. Met het besluit van 20 augustus 2021 heeft de Svb aan eisers samen vanaf 12 juli 2021 een Aio-aanvulling toegekend naar de norm voor gehuwden. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Met het besluit van 16 december 2021 heeft de Svb de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld (zaaknummer UTR 21/5095).
Met het besluit van 29 december 2021 heeft de Svb met ingang van 12 juli 2021 eisers Aow vastgesteld op 78% vanwege 11 onverzekerde jaren. De Svb heeft eisers bezwaar tegen dit besluit op 8 maart 2022 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld (zaaknummer UTR 22/1743).
Op 5 december 2022 heeft de rechtbank de beroepen van eisers ongegrond verklaard. Het hoger beroep dat eisers tegen deze uitspraak hebben ingesteld heeft de CRvB op 16 februari 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers het griffierecht niet hebben betaald.
Vanaf maart 2023 ontvangen eisers een Aio-aanvulling naar de norm voor gehuwden met één kostendeler in verband met inverhuizing van hun zoon.
Hoe is deze procedure verlopen?
Met het besluit van 4 september 2024 heeft de Svb eisers Aow met 2% verlaagd vanaf 1 juli 2021 omdat is gebleken dat eiser niet 11 maar 12 jaar niet voor de Aow verzekerd is geweest in Nederland. Eiser ontvangt nu dus een Aow van 76%.
Met een apart besluit van 4 september 2024 heeft de Svb de Aio-aanvulling van eisers herzien – verhoogd – over de periode juli 2021 tot en met augustus 2024 omdat de Aow van eiser is gewijzigd vanaf juli 2021. Eisers hebben tegen de besluiten van 4 september 2024 bezwaar gemaakt.
Met twee aparte besluiten van 17 april 2025 is de Svb bij de besluiten van 4 september 2024 gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 17 april 2025. Het beroep met zaaknummer UTR 25/2676 betreft het besluit over de Aow en het beroep met zaaknummer UTR 25/3130 betreft het besluit over de Aio-aanvulling.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van de Svb.
De standpunten van partijen en de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn
Wat zijn de standpunten van partijen?
3. De Svb heeft zich in het besluit van 17 april 2025 betreffende de herziening van de Aow op het standpunt gesteld dat uit informatie uit Israël is gebleken dat eiser een aantal periodes verplicht verzekerd was voor het ouderdomspensioen in Israël. In die periode was eiser niet voor de Aow verzekerd in Nederland. Daarom heeft de Svb de Aow aangepast op basis van het juiste aantal verzekerde jaren. Volgens de Svb is er geen sprake van dringende reden om van de herziening van de Aow af te zien. Voor zover eiser stelt dat de Svb met dit besluit inbreuk maakt op zijn grondrechten stelt de Svb dat het Aow-stelsel wordt uitgevoerd zoals dat is vastgesteld door de Nederlandse wetgever waarbij voor elk niet-verzekerd jaar een korting van 2% geldt. De korting is dus niet het gevolg van afkomst, maar van het feit dat eiser bepaalde perioden buiten Nederland verzekerd was. De Svb begrijpt dat eiser het niet eens is met de uitkomst van de regelgeving in zijn situatie, maar de Svb is gehouden om de wet- en regelgeving toe te passen zoals vastgesteld door de wetgever. Daarbij heeft de Svb geen beleidsvrijheid om daarvan af te wijken.
4. De Svb heeft zich in het besluit van 17 april 2025 over de wijziging van de Aio-aanvulling op het standpunt gesteld dat de Aio een uitkering is op grond van de Pw aan personen die de Aow leeftijd hebben bereikt maar beschikken over een inkomen lager dan het sociaal minimum. Daarbij geldt, net als bij de reguliere bijstand, het uitgangspunt dat de uitkering is afgestemd op de situatie van het gezin als geheel. De Aio vult het inkomen aan tot het bijstandsniveau dat geldt voor de leefvorm waarin iemand zich bevindt. De gronden die eisers in bezwaar hebben aangevoerd over de kostendelersnorm vallen buiten de reikwijdte van deze procedure. Verder stelt de Svb zich op het standpunt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden of dringende redenen die aanleiding geven voor maatwerk in de zin van artikel 18 van de Pw. De Svb is verder van oordeel dat de regelgeving en de toepassing daarvan in eisers situatie niet in strijd is met de door eisers genoemde verdragsrechtelijke normen. De gehanteerde systematiek van gezinsbijstand, de kostendelersnorm en het onderscheid naar leefsituatie zijn in de internationale rechtspraak aanvaardbaar geacht.
5. Eisers voeren – samengevat – aan dat de besluiten niet juist zijn omdat de Svb niet heeft getoetst aan relevante bepalingen in de Grondwet en Europese- en internationale verdragen. Grondrechten hebben per definitie een individueel beschermend karakter en eisers vinden dat grondrechten, zowel in de Grondwet als in internationale verdragen, materieel beschouwd ‘een ieder verbindend’ zijn en rechtstreeks afdwingbaar moeten zijn tegenover de overheid. Verder betogen eisers dat de Grondwet en internationale verdragen geen grondslag bieden voor het door de Svb – op basis van de nationale wet – gemaakte onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. In de nationale wetgeving bestaat een spanningsveld tussen het recht op individuele bestaanszekerheid en de collectieve normering op huishoudniveau waarbij de menselijke waardigheid, gelijkheid en rechtsbescherming onder druk komen te staan. Volgens eisers is er sprake van een schending van hun individuele rechten; de toepassing van de gehuwdennorm leidt tot het onthouden van een bestaansminimum. Artikel 11, eerste lid, van de Pw is individueel geformuleerd en wordt teniet gedaan wanneer de jongere partner van een Aow-gerechtigde enkel via een gezamenlijke aanvraag voor een Aio-aanvulling ondersteuning kan krijgen. Diverse bepalingen van de Grondwet en Europese- en internationale verdragen bieden een grondslag voor een individuele normering. Volgens eisers zijn de besluiten van de Svb daarmee in strijd.
Op welke wettelijke bepalingen zijn de besluiten zijn gebaseerd?
6. Het eerste besluit van 17 april 2025 heeft betrekking op de Aow van eiser. In de Aow staan onder andere bepalingen over de hoogte van de Aow. Hiervoor geldt dat in artikel 9, eerste lid, onder a en b, van de Aow onderscheid wordt gemaakt tussen het bruto-ouderdomspensioen voor de ongehuwde pensioengerechtigde en de gehuwde
pensioengerechtigde. Vervolgens bepaalt artikel 9, vijfde lid, onder a en b, van de Aow dat het netto ouderdomspensioen voor de ongehuwde pensioengerechtigde 70% van het netto-minimumloon per maand bedraagt en voor de gehuwde pensioengerechtigde 50% van het netto-minimumloon per maand.
7. Het andere besluit van 17 april 2025 gaat over de Aio-aanvulling. De Aio-aanvulling is, op grond van artikel 47a van de Pw, een vorm van algemene bijstand die door de Svb wordt verleend. Artikel 3, derde lid, van de Pw bevat de definitie van een gezamenlijke huishouding. In artikel 11, vierde lid, van de Pw is opgenomen dat het recht op bijstand echtgenoten gezamenlijk toekomt, tenzij één van hen geen recht op bijstand heeft. Artikel 22 van de Pw bevat de normbedragen voor pensioengerechtigden, waarbij de hoogte afhankelijk is van de huishoudvorm (de leefsituatie).
De overwegingen van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat eisers ter zitting hun beroep hebben beperkt tot hun principiële beroepsgronden. Eisers hebben aangegeven dat zij over de gronden die zien op de (onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de) bezwaarprocedure geen oordeel wensen van de rechtbank. Deze beroepsgronden zal de rechtbank dan ook niet bespreken.
9. Ook eisers gronden over de toepassing van de kostendelersnorm vallen buiten de omvang van deze beroepen, omdat daar een aparte procedure over is gevoerd.
Had de Svb zijn besluiten moeten toetsen aan de Grondwet?
10. Eisers voeren aan dat de Svb de besluiten ten onrechte niet heeft getoetst aan de relevante bepalingen in de Grondwet.
11. De rechtbank oordeelt dat naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter een
– bepaling in een – formele wet zoals de Pw en de Aow, niet mag toetsen aan de Grondwet. De wetgever wordt geacht zelf een grondwettelijke toets uit te voeren bij de totstandkoming van wetten in formele zin. De Pw en de Aow zijn wetten in formele zin waarbij de wetgever nadrukkelijk en bewust heeft bepaald welke uitkeringsvormen en welke leefvormen recht geven op een Aow-pensioen en Aio-aanvulling (op basis van de Pw) en hoe hoog dit
Aow-pensioen en/of deze Aio-aanvulling is. In de Aow en de Pw zijn dus de voor eisers situatie relevante normen neergelegd. De rechtbank acht het dan ook juist dat de Svb de bestreden besluiten heeft genomen op basis van de nationale wetgeving. Zolang constitutionele toetsing in Nederland niet mogelijk is kan de rechter noch een bestuursorgaan toetsen aan bepalingen van de Grondwet.
12. Dat betekent dat, voor zover eisers stellen dat de in rechtsoverwegingen 6 en 7 genoemde wettelijke bepalingen – waarop de Svb zijn besluiten heeft gebaseerd – in strijd zijn met de Grondwet, die beroepsgrond geen doel kan treffen.
Aan welke bepalingen in Europese- en internationale verdragen kan worden getoetst?
13. Eisers hebben verder verwezen naar diverse bepalingen in Europese- en internationale verdragen en stellen dat de bestreden besluiten daarmee in strijd zijn.
14. De Grondwet kent in artikel 94 de mogelijkheid om wetgeving te toetsen aan een ieder verbindende bepalingen in internationale verdragen. Het moet dan gaan om bepalingen die rechtstreeks werken in de Nederlandse rechtsorde. Daarvoor moeten de bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om door een rechter direct te worden toegepast zonder dat die bepalingen eerst worden omgezet in nationale wetgeving. Het is dus niet zo dat alle Europese- en internationale verdragsbepalingen ‘een ieder verbindend’ zijn. Eisers betoog dat (alle) fundamentele rechten in internationale verdragen rechtstreeks verbindend en toetsbaar behoren te zijn, onderschrijft de rechtbank dan ook niet.
15. De rechtbank oordeelt dat artikel 9 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, de artikelen 22 en 25 van de Universele verklaring voor de Rechten van de Mens en de artikelen 12 tot en met 14 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) niet een ieder verbindende bepalingen zijn in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Voor zover eisers in deze zaken nog een beroep hebben gedaan op artikel 17 van het ESH overweegt de rechtbank dat ook deze bepaling net als de artikelen 12 tot en met 14 van het ESH, geen rechtstreekse werking heeft.
16. In aanvulling hierop wijst de rechtbank nog op een uitspraak in een eerdere zaak van eisers waarin de CRvB heeft geoordeeld dat – voor zover in een context als deze aan artikel 13 van het ESH rechtstreekse werking toekomt – er geen grond is voor het oordeel dat het normbedrag voor gehuwdennorm in strijd is met dit artikel en dat ook aan artikel 14 van het ESH kan geen aanspraak kan worden ontleend op een hogere uitkering. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarover in deze zaken die gaan over de Aow en de Aio-aanvulling, anders te oordelen.
17. Verder hebben eisers een beroep gedaan op onder meer de artikelen 1, 20, 21, 25, 34 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de EU (het Handvest). Dit zijn bepalingen die onder meer gaan over: eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid en veiligheid, eerbiediging van privéleven, familieleven en gezinsleven en het recht op toegang tot sociale zekerheidsvoorzieningen.
18. Deze (algemene) bepalingen kunnen eisers niet baten. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 5 december 2022 al heeft overwogen is in artikel 51 van het Handvest bepaald dat het Handvest uitsluitend gericht is tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Naar het oordeel van de rechtbank houden de bestreden besluiten geen verband met de tenuitvoerlegging van het EU-recht zodat de rechtbank niet zal toetsen of de bestreden besluiten in strijd zijn met de door eiser genoemde artikelen.
19. Het voorgaande betekent dat voor de inhoudelijke beoordeling alleen de bepalingen overblijven die wel rechtstreekse werking hebben. Daar gaat de rechtbank hierna op in.
Zijn de besluiten in strijd met artikel 14 van het EVRM of artikel 1 van het Eerste Protocol?
20. Eisers doen een beroep op artikel 14 van het EVRM. Deze bepaling gaat over het verbod van discriminatie. Eisers vinden dat met het verschil in hoogte tussen de alleenstaandennorm en gehuwdennorm ten onrechte onderscheid wordt gemaakt naar leefsituatie. De korting op de Aow is discriminerend, temeer omdat eisers de eerste tien jaar in Nederland niet mochten werken. Ook maakt de wettelijke systematiek eiseres als jongere partner financieel afhankelijk van eiser en dit leidt tot ongelijkwaardigheid tussen echtgenoten wat ook in strijd is met het non-discriminatie beginsel.
21. Specifiek met betrekking tot het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden heeft het EHRM overwogen dat staten een margin of appreciation toekomt personen verschillend te behandelen, bijvoorbeeld op het terrein van belastingheffing, sociale zekerheid en sociaal beleid. De situatie van gehuwde en ongehuwde stellen is niet gelijk, er bestaan nog steeds verschillen, vooral wat betreft de juridische gevolgen. Voor de AOW geldt overigens dat
– ondanks dit door het EHRM toegelaten onderscheid – gehuwden die niet duurzaam gescheiden leven en ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren, in veel opzichten en in ieder geval wat betreft de toepasselijke norm, gelijk worden behandeld. Er is dan ook veeleer een onderscheid naar leefsituatie aan de orde, zoals eisers ook hebben betoogd.
22. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt verder voor zover sprake zou zijn van onderscheid tussen gelijke gevallen, de wetgever met het in artikel 9 van de Aow neergelegde onderscheid en de daaraan verbonden gevolgen voor de hoogte van de uitkering, de margin of appreciation niet heeft overschreden. Dit onderscheid is gelegen in het kostenvoordeel van het samenwonen. Zo hebben gehuwden schaalvoordelen en kunnen zij bepaalde kosten delen, zoals woonkosten waaronder de huur en de energierekening. Dat strookt met het feit dat de gehuwdennorm ook geldt voor ongehuwd samenwonenden en dat de ongehuwdennorm ook geldt voor gehuwden die duurzaam gescheiden leven. Niet gezegd kan worden dat het doel dat de wetgever met dit onderscheid voor ogen stond niet gerechtvaardigd is en dat het middel niet passend en noodzakelijk is. Het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden is – mede gezien de gelijkstellingen genoemd onder 21. – een geschikt middel om rekening te houden met de kostenvoordelen. Dit geldt zowel voor de Aow als voor de Pw en de daarop gebaseerde Aio-aanvulling.
23. De rechtbank oordeelt verder dat er ook geen sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen oudere en jongere partners. Ook dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Bovendien wordt van een partner die nog niet de pensioenleeftijd heeft bereikt, verwacht inkomen te genereren en van iemand die pensioengerechtigd is niet meer. In dit opzicht is er dus geen sprake van gelijke gevallen. Ook de korting op eisers Aow leidt niet tot een ongerechtvaardigd onderscheid. Deze korting is immers het gevolg van het feit dat eiser bepaalde perioden buiten Nederland verzekerd was en niet het gevolg van zijn afkomst.
24. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat korting van sociale rechten bij migratie in strijd is met artikel 1 van het Eerste protocol van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.
25. De rechtbank stelt vast dat tijdvakken van verzekering voor de Aow die vanaf het vijftiende jaar zijn opgebouwd, moeten worden aangemerkt als een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol. Beoordeeld moet worden of de inmenging die de Svb op dit eigendomsrecht heeft gemaakt proportioneel is. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging van het eigendomsrecht een onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’) moet dragen.
26. De rechtbank oordeelt dat van een onevenredig zware last geen sprake is. De Svb heeft immers de extra korting van 2% op eisers Aow gecompenseerd door aan eisers een hogere Aio-aanvulling toe te kennen. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.
27. De rechtbank oordeelt verder dat er ook geen grond is voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld. Artikel 8 van het EVRM heeft als doel het individu te beschermen tegen (willekeurige) inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Eisers hebben niet onderbouwd op welke wijze een inbreuk is gemaakt op hun recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven.
Was de Svb bevoegd om de gehuwdennorm toe te passen?
28. Eisers beroepsgrond dat de Svb niet bevoegd is om de gehuwdennorm toe te passen op partners jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd omdat uitkeringen voor hen vallen onder de Pw, slaagt niet. Op grond van artikel 47a van de Pw heeft de Svb immers tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een Aio-aanvulling aan gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Had de Svb aanleiding moeten zien om de Aio af te stemmen?
29. Eisers voeren aan dat de Svb heeft nagelaten om de bijstand af te stemmen op grond van artikel 18 van de Pw. De Svb past stelselmatig generiek beleid toe zonder de persoonlijke situatie te onderzoeken. Het niet toepassen van maatwerk vormt volgens eisers een schending van het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie.
30. Op grond van artikel 47c, eerste lid, van de Pw stemt de Svb de algemene bijstand als aanvullende inkomensvoorziening ouderen en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze afstemmingsmogelijkheid is gelijkluidend aan artikel 18 van de Pw.
Op grond van artikel 47c, dertiende lid, van de Pw wordt bij de toepassing van artikel 47c van de Pw onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
31. De rechtbank overweegt dat afstemming met toepassing van artikel 47c, eerste lid, van de Pw, plaatsvindt met inachtneming van de feitelijke behoeften in het individuele geval. Dit houdt verband met het vangnetkarakter van de bijstand, waarbij individueel maatwerk een belangrijk uitgangspunt is. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
32. Eisers zijn hier niet in geslaagd. De rechtbank stelt daarbij voorop dat bij de afstemming wordt gekeken naar de gezinssituatie en dat er geen afstemming per individu plaatsvindt. Dit volgt uit artikel 47c, dertiende lid, van de Pw. In dit geval wordt dus gekeken naar de feitelijke behoeften van eisers samen.
33. Gelet op de systematiek van de Aow en de Pw en het vangnet karakter van deze wetten, heeft de Svb geen aanleiding hoeven zien om de Aio-aanvulling hoger vast te stellen dan de norm voor gehuwden (met één kostendeler). Eisers hebben geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen blijken dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Eisers situatie verschilt immers niet van de situatie van andere gehuwden waarbij één partner Aow-gerechtigd is en de andere partner (nog) niet. Eisers betoog dat zij als individu in aanmerking dienen te komen voor een uitkering en dat toepassing van de gehuwdennorm leidt tot het onthouden van een bestaansminimum, onderschrijft de rechtbank niet. De hoogte van eisers Aow, aangevuld met de Aio tot de hoogte van de gehuwdennorm (met één kostendelende medebewoner), voldoet immers aan het (wettelijk) sociaal minimum waarmee eisers in beginsel kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan.
34. Dat de Svb bij de vraag of de Aio moet worden afgestemd de gezinssituatie in aanmerking neemt, acht de rechtbank niet in strijd met het verbod op discriminatie. De rechtbank wijst hierbij op wat zij hiervoor onder 21 tot en met 23 heeft overwogen. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de besluiten in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
35. Eisers voeren verder aan dat een daadwerkelijke belangenafweging en evenredige toetsing ontbreekt omdat de Svb zich beperkt tot nationaliteit keuzes zonder een concrete en individuele toetsing van de gevolgen voor eisers.
36. De bepalingen waar het in deze zaken om gaat – genoemd onder 6 en 7 – zijn allemaal bepalingen in een wet in formele zin die dwingendrechtelijk van aard zijn. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling volgt uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de Pw niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
37. De rechtbank oordeelt dat eisers geen individuele feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht die maken dat toepassing van de genoemde bepalingen in de Aow en de Pw zozeer in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
38. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.