RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
De minister van Financiën, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4044
(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),
en
(gemachtigde: [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Procesverloop
Op 23 maart 2023 heeft de minister beslist op het verzoek van eiser om inzage op grond van de AVG (primaire besluit).
Op 14 maart 2024 heeft de minister beslist op het bezwaar van eiser en dat bezwaar gegrond verklaard (bestreden besluit).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister.
Wat aan het beroep vooraf ging
1. Op 2 juli 2021 heeft eiser verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens in de Fraude Signaleringvoorziening (FSV) en mogelijke andere toezichtlijsten van de Belastingdienst. Daarnaast heeft hij verzocht om mee te delen waarom hij in de FSV is geplaatst, met wie en op welk moment zijn gegevens zijn gedeeld en of hij fraudecodes heeft gekregen, zoals 1043 en 1044.
2. De minister heeft het verzoek opgevat als een inzageverzoek in de zin van artikel 15, eerste lid, van de AVG. In het primaire besluit van 23 maart 2023 is eisers AVG-verzoek om inzage in de FSV toegekend en is hem een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens die van eiser in de FSV zijn verwerkt. Ook is eisers verzoek om inzage in de Aki-code 1043 toegewezen, maar daarin heeft de minister geen persoonsgegevens van eiser verwerkt. Eisers verzoek om inzage in Aki-Code 1044 is afgewezen, omdat deze code betrekking heeft op persoonsgegevens van een derde (fiscaal dienstverlener). Verder zijn overige vragen van eiser beantwoord. Zo is eiser meegedeeld dat de reden van opname in de FSV is, dat een gemeente zijn belastinggegevens heeft opgevraagd en ook dat de FSV-registratie niet met derden is gedeeld.
3. Eiser is het niet eens met het primaire besluit en voert aan dat de reden van opname in de FSV en de datum van opname in de FSV onvoldoende wordt vermeld. Ook zou eiser in Dagboek PIT (de voorganger van het FSV) vermeld hebben kunnen staan. Verder is niet duidelijk welke gemeente gegevens heeft opgevraagd en de minister wordt gevraagd dat uit te zoeken en mee te delen. Ook vindt eiser dat niet duidelijk is welke feitelijke informatie ontbreekt.
4. De minister heeft bij bestreden besluit van 14 maart 2024 onverplicht de naam verstrekt van de gemeente (samenwerkende gemeenten Lekstroom) die informatie over eiser heeft opgevraagd bij de Belastingdienst en toegelicht dat zij op grond van artikel 64 van de Participatiewet verplicht was de verzochte gegevens te verstrekken. Wegens verstrekking van deze nieuwe informatie heeft de minister het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De minister heeft verder meegedeeld geen persoonsgegevens te verstrekken van medewerkers die bij de Belastingdienst en bij de gemeente werken. Een kopie van het informatieverzoek van de gemeente is volgens de minister geen op de zaak betrekking hebbend stuk en wordt daarom niet verstrekt. Verder herhaalt de minister dat niet is gebleken dat eisers FSV-registratie met derden is gedeeld en dat niet blijkt van opname van eiser in Dagboek PIT.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
5. Eiser voert aan dat onduidelijk is of de Belastingdienst alle informatie heeft verstrekt. De minister heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst in de FSV voldoende heeft gezocht en alle persoonsgegevens zijn verstrekt. Eiser vordert daarom inzicht in alle systemen waaronder in ieder geval de FSV en ‘de acht bekende applicaties en informatievoorzieningen’. De minister heeft ook geen eenduidig antwoord gegeven op de vraag hoe eiser in de FSV is terecht gekomen en welke medewerkers van de Belastingdienst en de gemeente daarbij betrokken waren. Een onderzoek in verband met een aanvraag voor bijstand kan geen reden zijn om opgenomen te worden in een fraudesysteem. Eiser wenst ook de daarover gevoerde correspondentie te ontvangen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is de FSV?
6. De FSV is een computersysteem waarin de belastingdienst tot 27 februari 2020 gegevens registreerde van belastingbetalers en ontvangers van toeslagen. In totaal zijn ongeveer 290.000 natuurlijke personen daarin geregistreerd. In de FSV werden niet alleen vermeende signalen van fraude geregistreerd. Ook als een overheidsinstantie belastinggegevens van iemand opvroeg werd dat in de FSV geregistreerd.
Heeft de minister volledig aan het inzageverzoek voldaan?
7. Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren.
-Inzage FSV
8. De rechtbank oordeelt dat de minister naar behoren heeft gereageerd op het inzageverzoek in de FSV. De minister heeft een overzicht gegeven van de persoonsgegevens van eiser die verwerkt zijn in de FSV en toegelicht per wanneer de gegevens zijn opgenomen. De minister heeft daarnaast inzicht gegeven in de verwerkingsdoeleinden van de persoonsgegevens en de categorieën van ontvangers aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt. De minister heeft verder (onverplicht) de naam gedeeld van de opvragende instantie en toegelicht dat en welke informatie de Belastingdienst op grond van artikel 64 van de Participatiewet aan deze instantie moest verstrekken en heeft verstrekt. Eiser heeft geen aanknopingspunten geboden om te twijfelen aan de volledigheid van de verstrekte gegevens. Indien eiser wil weten wat de (verdere) reden is geweest van het informatieverzoek bij de Belastingdienst zal hij zich tot de gemeente moeten wenden.
- Inzage ‘andere toezichtlijsten’
9. Eisers verzoek omvat naast zijn verzoek om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens in de FSV ook inzage in ‘andere toezichtlijsten’.
10. De minister heeft toegelicht dat het verzoek om inzage in ‘overige toezichtlijsten’ in eerste instantie niet nader is toegelicht en er daarom terecht niet op is ingegaan en dat hij het verzoek heeft opgevat als een verzoek om inzicht in met FSV vergelijkbare systemen. Onder verwijzing naar een kamerstuk heeft de minister gesteld dat uit onderzoek van de KPMG blijkt dat er geen met FSV vergelijkbare systemen zijn. Verder heeft dit volgens de minister geen invloed op de juistheid van de beslissing, omdat het geen invloed heeft op de te verstrekken persoonsgegevens.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser op dit punt heeft mogen opvatten als zijnde een verzoek om inzicht in aan de FSV vergelijkbare systemen. De gegevens uit Dagboek PIT zijn overgenomen in de FSV en niet is gebleken van het bestaan van aan FSV vergelijkbare systemen.
- inzage overige applicaties en systemen
12. Eiser voert eerst in beroep aan dat hij inzicht verzoekt in tenminste acht bekende applicaties en informatievoorzieningen.
13. De rechtbank oordeelt dat de minister hierover terecht stelt dat dit in beroep voor het eerst wordt aangevoerd en buiten de reikwijdte van het oorspronkelijke AVG-verzoek valt. Indien eiser inzage wenst in zijn persoonsgegevens in andere applicaties en systemen kan hij daarvoor een nieuw verzoek op grond van artikel 15 van de AVG indienen.
- schermafdrukken en correspondentie
14. Eiser voert aan dat de minister ook nog schermafdrukken en correspondentie had moeten verstrekken van de zoekslag in de FSV.
15. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 maart 2021 volgt immers dat artikel 15 van de AVG niet tot doel heeft de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Voor de toegang tot documenten over bestuurlijke aangelegenheden kan de betrokkene een verzoek indienen op grond van de Wet open overheid. De verplichting om een kopie van de persoonsgegevens te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG betekent dan ook niet dat een bestuursorgaan verplicht is om een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag dat doen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, als met de gekozen wijze van verstrekking aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de wijze waarop de minister de van eiser verwerkte persoonsgegevens in de FSV heeft verstrekt aan het doel van artikel 15 van de AVG.
Moet de minister inzage verlenen in persoonsgegevens van anderen dan eiser?
16. Eiser verzoekt de minister om de namen te verstrekken van de medewerker bij de belastingdienst die zijn persoonsgegevens in de FSV heeft ingevoerd en de medewerker van de gemeente die het informatieverzoek heeft ingediend.
17. De rechtbank stelt vast dat de minister inzage heeft gegeven in de van eisers verwerkte persoonsgegevens in de FSV, met uitzondering van de gegevens van derden. Dit laatste betreft de gegevens van de betrokken medewerkers van de belastingdienst en de gemeente. Hiermee heeft de minister conform de AVG gehandeld. Op grond van artikel 15, vierde lid, van de AVG doet het inzagerecht geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. Volgens artikel 23, eerste lid, aanhef en onder i, van de AVG, kan het inzagerecht worden beperkt (kort gezegd) omwille van de rechten en vrijheden van anderen. In artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG heeft de wetgever vastgelegd dat onder andere het inzagerecht uit artikel 15 van de AVG buiten toepassing kan worden gelaten voor zover dit noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de rechten en vrijheden van anderen. Het inzagerecht is dus niet absoluut. Het niet verstrekken van de persoonsgegevens van derden in verband met bescherming van hun persoonlijke levenssfeer/privacy acht de rechtbank gerechtvaardigd. Hierbij acht de rechtbank nog van belang op te merken dat verweerder eiser wél inzage heeft gegeven in de aard van het signaal en van wie het afkomstig is. En dat de rechtbank geen reden heeft om aan te nemen dat de vermelding van eiser in de FSV om een andere reden is dan dat er door een gemeente informatie is opgevraagd.
18. Ook wat eiser verder nog aanvoert leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij merkt de rechtbank op dat de minister meermaals heeft benadrukt dat eiser bij de belastingdienst niet bekend staat als fraudeur en dat opname in de FSV niet betekent dat er sprake is van fraude. De FSV werd ook gebruikt om andere categorieën van informatie vast te leggen, zoals informatieverzoeken van andere overheidsinstanties. Dit laatste wordt bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025.
19. Op de zitting heeft eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
20. De redelijke termijn voor het doen van een uitspraak is in beginsel overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk. Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, daadwerkelijk is overschreden moet echter ook worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bestaat recht op een schadevergoeding van € 500,00.
21. Op 3 mei 2023 heeft de minister het pro forma bezwaarschrift van eiser ontvangen. De minister heeft op 11 mei 2023 een brief naar eiser verzonden met het verzoek om een nadere motivering van eisers bezwaar. Op 6 juni 2023 heeft eiser meegedeeld dat de hij zich niet kan verenigen met het door de belastingdienst ingenomen standpunt en hij meent dat hij benadeeld is door opname in het FSV en geen informatie daarover heeft ontvangen. Op 20 juni 2023 heeft de minister een voornemen gestuurd het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren wegens – kort gezegd – het ontbreken van bezwaargronden met betrekking tot de beslissing op het inzageverzoek. Op 3 juli 2023 heeft de minister eiser nog een keer in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift nader te motiveren. Op 12 juli 2023 heeft eiser een nadere motivering ingediend. In het besluit van 14 maart 2024 heeft de minister op het bezwaar beslist. Op 24 april 2024 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Op 9 juli 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Hiermee is de termijn afgerond naar boven overschreden met drie maanden. De overschrijding van de termijn is deels te wijten aan eiser zelf wegens het niet indienen van een motivering van zijn bezwaar als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, en deels aan het bestuursorgaan zelf. Wat daar verder ook van zei, feit blijft dat er een overschrijding van een maand is aan de zijde van het bestuursorgaan. Uitgaande van een bedrag van € 500,- per half jaar, bedraagt de schadevergoeding aan eiser € 500,-.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er geen grond is om de minister op te dragen aan eiser meer inzage in (verwerkte) gegevens te verstrekken. De rechtbank zal de minister veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,-. De minister hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister van Financiën om aan eiser te betalen een schadevergoeding van
€ 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.