ECLI:NL:RBMNE:2025:6122

ECLI:NL:RBMNE:2025:6122, Rechtbank Midden-Nederland, 17-10-2025, 25/2455

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 17-10-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer 25/2455
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888 BWBR0004045

Samenvatting

Ziektewet. Maatstaf eigen werk. Medisch onderzoek is zorgvuldig geweest. Geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Reith)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

Inleiding

Eiser heeft vanaf 1 augustus 2016 fulltime gewerkt als [functie] . Als gevolg van een corona-infectie is eiser ziek geweest van 21 maart 2022 tot 6 maart 2023. Op 29 juni 2023 hebben eiser en werkgever een vaststellingsovereenkomst getekend waarbij is afgesproken dat eiser vanaf 3 juli 2023 is vrijgesteld van werk en dat zijn dienstverband zou eindigen op 30 november 2023. Daarmee is 1 december 2023 de eerste dag dat eiser werkloos is. Eiser ontvangt per die datum een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

Op 9 januari 2024 meldt eiser zich ziek bij het Uwv vanwege psychische en lichamelijke klachten. Na medisch onderzoek heeft het Uwv beslist dat eiser per datum van ziekmelden niet arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk. Daarom heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2024 (het primaire besluit) eiser geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is het daar niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Waar gaat deze zaak over?

2. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv terecht een ZW-uitkering aan eiser heeft geweigerd omdat eiser niet arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van wat eiser naar voren heeft gebracht.

Hoe toetst de rechtbank?

Bij de beoordeling van deze zaak moet de rechtbank bekijken of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Daarbij is het zo dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten voldoende begrijpelijk zijn.

De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiser aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de hiervoor genoemde drie voorwaarden voldoen, of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om echter aannemelijk te kunnen maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. Dat betekent dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, niet voldoende is om aan te nemen dat een medische beoordeling onjuist is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De maatstaf van het eigen werk

Eiser stelt dat zijn laatst verrichtte werk ten onrechte als maatstaf is genomen. Zijn werk was namelijk dusdanig aangepast aan zijn fysieke problemen, dat het een unieke baan is geworden. Zo mocht hij volledig thuiswerken, slapen wanneer hij wilde en zijn collega nam buitenwerkzaamheden over die hij in de oorspronkelijke functie zou moeten doen. Een baan als deze zou hij nergens anders kunnen vinden.

Omdat eiser geen werkgever heeft, wordt bij het bepalen of hij recht heeft op ziekengeld gekeken naar de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt onder “zijn arbeid” verstaan, de feitelijk laatst verrichtte arbeid voor het intreden van de ongeschiktheid en dat daarbij bijzondere verlichtende aspecten van de laatste functie en situatieve omstandigheden niet buiten beschouwen gelaten dienen te worden. De hulp die wordt ontvangen van collega’s bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt aangemerkt als een verlichtende omstandigheid en maakt daarmee onderdeel uit van de maatstaf arbeid. Dit betekent dat bij de beoordeling of eiser geschikt is voor “zijn arbeid”, rekening wordt gehouden met de aanpassingen van de werkgever en de hulp die hij ontving bij de uitvoering van de werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht het feitelijk laatst verrichtte werk van eiser als maatstaf heeft genomen. Zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de aanpassingen in eisers werk meegenomen in de beoordeling. Zo zijn de aanpassingen dat eiser niet meer naar kantoor hoefde, geen inspecties meer deed en zelf zijn uren mocht indelen inclusief een vast rustmoment van een uur, meegenomen in de overwegingen. Dat is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak van de CRvB. De beroepsgrond slaagt niet.

De zorgvuldigheid van de medische beoordeling

Eiser voert aan dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest omdat eiser tijdens het spreekuur niet fysiek is onderzocht. De verzekeringsarts kan dus ook niet stellen dat er geen afwijkingen aan de handen van eiser werden gezien die de psoriasis/arthrose klachten konden bevestigen.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en een spreekuur gehouden op 21 februari 2024. Daarover heeft de verzekeringsarts gerapporteerd dat eiser normaal documenten kon hanteren en dat er geen evidente zwellingen, roodheid of standsafwijkingen zichtbaar waren. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, met eiser gesproken tijdens het spreekuur op 30 juli 2024 en aansluitend medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep rapporteert ook in dat kader dat er aan de handen en vingers van eiser geen afwijkingen te zien zijn. Op basis van de beschikbare medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat werk met een computer voor eiser passend is, omdat dit niet als belastend werk wordt gezien en beweging beter voor de handen is dan rust. Hieruit maakt de rechtbank op dat het oordeel van de verzekeringsarts niet alleen op de observatie van de handen van eiser is gebaseerd, maar dat alle medische informatie, inclusief de klachten van eiser, bij dit oordeel zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusies heeft getrokken op basis van een onvolledig beeld van de medische situatie van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

De inhoudelijke medische beoordeling

Eiser stelt zich op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen, waaronder zijn energetische klachten en cognitieve klachten. Eiser had zijn laatste werkdag op 9 juni 2023 en met kerst 2023 heeft hij een tweede corona-infectie opgelopen waardoor zijn energetische en cognitieve klachten zijn verergerd. Als gevolg hiervan was hij op 9 januari 2024 niet meer in staat het laatst verrichtte werk uit te voeren. Dat blijkt onder andere uit het feit dat eiser veel langer over zijn studie heeft gedaan omdat hij veel moeite heeft met alles begrijpen en onthouden. Hij zou dus ook niet de benodigde energie en aandacht hebben gehad voor zijn eigen werk. De studie die eiser volgde bestond namelijk uit een beperkte studiebelasting en eiser kon tijdens zijn studie meer slapen dan tijdens zijn eigen werk. Eiser stelt dat het Uwv te gemakkelijk voorbij is gegaan aan de moeilijkheden die eiser met zijn studie heeft ervaren. Daarnaast stelt eiser dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de verergerde reumatische klachten in zijn handen en in zijn voeten. De klachten in zijn handen zijn toegenomen, onder andere als gevolg van gewijzigde medicatie voor zijn reuma. Ook kreeg eiser last van neuropathie in zijn voeten door de nieuwe medicatie. Om zijn standpunt te onderbouwen heeft eiser verschillende stukken overgelegd, te weten een ingevulde vragenlijst van C-support over zijn cognitieve klachten en een brief van een neuroloog waarin neuropathie in eisers’ voeten wordt vastgesteld. Ter zitting heeft eiser verder toegelicht dat de combinatie van zijn aandoening en de gewijzigde medicatie ervoor hebben gezorgd dat al zijn klachten zijn verergerd en zijn algehele toestand is verslechterd.

Het Uwv vindt dat eiser niet ongeschikt is voor zijn eigen werk. Het Uwv verwijst daarbij naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 september 2024. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich aangesloten bij het medische oordeel van de primaire verzekeringsarts. De primaire verzekeringsarts rapporteert dat de cognitieve belemmeringen van eiser tijdens het spreekuur niet medisch konden worden geobjectiveerd. Daarbij wordt betrokken dat eiser lange zinnen kon maken, alert is en zijn aandacht goed bij het gesprek kan houden. Ook weet eiser alle informatie vlot op te halen uit zijn geheugen. Daarnaast kon eiser ondanks de cognitieve beperkingen zijn opleidingsdagen volbrengen en zijn examen halen. En dat is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet vergelijkbaar met eisers’ eigen werk omdat hij in zijn eigen werk zijn uren kon verspreiden over de dag, niet naar kantoor hoefde en veel rustmomenten kon nemen. Ten aanzien van de reumatische klachten van eiser rapporteert zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen sprake is van medisch objectiveerbare afwijkingen die wijzen op een ontstekingsproces in de handen. Werk met de computer acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep juist passend voor de klachten aan de handen van eiser omdat beweging beter is dan rust en dit ook niet te belastend voor de handen is. Het Uwv onderkent dat eiser veel heeft meegemaakt de afgelopen jaren en ook evident beperkingen heeft maar dat deze klachten ook al bestonden tijdens zijn werk en dat hij zijn aangepaste werk daarmee wel kon blijven uitvoeren.

De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarmee is de rechtbank ook van oordeel dat het Uwv de beperkingen van eiser niet heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt dat de gestelde toename van klachten niet wordt verklaard door nieuwe medische feiten en daarmee niet medisch objectiveerbaar is. Dat kan de rechtbank volgen. Uit de brief van de reumatoloog blijkt dat er neuropathie in de voeten van eiser is vastgesteld, maar blijkt niet dat de reumatologische klachten van eiser zijn verergerd op basis waarvan hij zijn werk niet meer zou kunnen uitvoeren. Ook de door eiser ingevulde vragenlijst van C-support is niet voldoende om aan te nemen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onjuist is. Dit omdat eiser de vragenlijst zelf heeft ingevuld op basis van zijn eigen ervaringen. Om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is, is daarentegen informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. De C-support vragenlijst voldoet daar niet aan. Verder is de rechtbank het met het Uwv eens dat het enkele feit dat eiser moeite had met zijn studie niet maakt dat hij zijn eigen werk niet zou kunnen uitvoeren. Het eigen werk van eiser was zodanig aangepast dat met de ervaren belemmeringen het nog steeds passend bleef.

Benoeming onafhankelijk deskundige

7. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Bij de vraag of de rechtbank daartoe moet overgaan, gaat het erom of eiser met de door hem aangevoerde beroepsgronden en ingebrachte medische informatie twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de medische beoordeling. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen heeft het Uwv zijn conclusies overtuigend gemotiveerd. Daarom is er bij de rechtbank geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling. Ook ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, zodat sprake zou zijn van een oneerlijk proces. Eiser heeft zich in beroep laten bijstaan door zijn gemachtigde en heeft zijn beroep onderbouwd met argumenten en medische informatie. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen en wijst het verzoek van eiser af.

Conclusie en gevolgen

8. Het Uwv heeft de aanvraag om de ZW-uitkering van eiser terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Daarom hoeft het Uwv de proceskosten en het griffierecht niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.

de griffier de rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.W.A. Schimmel

Griffier

  • mr. E. Stumpel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?