RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3937
(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 26 juni 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Bij uitspraak van 4 februari 2025 (UTR 24/6513) heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken.
Op 10 juli 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft op 2 juli 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 3 juli 2024 heeft verweerder het verzoek bevestigd en verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 30 juli 2024 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 27 augustus 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen volledig (nieuw) besluit heeft genomen op het Woo-verzoek, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 10 juli 2025 aan dat het beroep is ingesteld voordat de eerst opgelegde dwangsomtermijn van 150 dagen is verstreken (18 juli 2025). Hij stelt dat het beroep prematuur is ingesteld en dus niet-ontvankelijk is. Er is volgens verweerder geen sprake van procesbelang.
6. Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank wel ontvankelijk. De door de rechtbank in de uitspraak van 4 februari 2025 gestelde beslistermijn was op het moment van het instellen van het beroep overschreden. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is. In dat geval ligt wel voor de hand dat de nieuwe dwangsom dan niet eerder ingaat dan op het moment dat de eerst opgelegde dwangsom volledig is verbeurd.
7. Verder geeft verweerder aan dat de gelakte documenten gecontroleerd moeten worden en de derden-belanghebbenden, die een zienswijze moeten kunnen indienden, bepaald moeten worden. Verweerder stelt dat binnen de eerst opgelegde dwangsomtermijn hij een besluit op het Woo-verzoek zal nemen. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is die termijn inmiddels verstreken. Gelet daarop, stelt de rechtbank de beslistermijn vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. Verweerder heeft aangegeven te kampen met achterstanden, maar de rechtbank ziet gezien het tijdsverloop geen reden om in deze zaak een langere termijn te hanteren.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Het is daarom niet nodig om het beroep op een zitting te behandelen.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 0,5). Toegekend wordt € 453,50.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald, aan hem moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2025.
De griffier is verhinderd deze
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: