RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11909133 \ UV EXPL 25-247
Vonnis in kort geding van 14 november 2025
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiseres sub 1] of [eiser sub 2] ,
gemachtigde: mr. T.J. Rosbach,
tegen
ASR Schadeverzekering N.V.,
gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ASR,
gemachtigde: mr. J.H. Tuit.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en bij de beoordeling betrokken:
de betekende dagvaarding met producties 1 t/m 9;
de door [eiseres sub 1] nagezonden aanvullende producties 10 t/m 20;
de door ASR toegezonden producties 1 t/m 11;
de pleitnotities van [eiseres sub 1] ;
de pleitnotities van ASR.
De mondelinge behandeling is gehouden op 24 oktober 2025. [eiser sub 2] is verschenen in persoon en als bestuurder namens [eiseres sub 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens ASR is verschenen mr. [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiseres sub 1] heeft bij ASR een verzekering afgesloten voor een personenauto (hierna: de auto). De auto is nadien van [eiseres sub 1] gestolen. [eiser sub 2] heeft daarvan, als bestuurder van [eiseres sub 1] , aangifte bij de politie van gedaan. ASR heeft op grond van die aangifte en eigen onderzoek geconcludeerd dat [eiser sub 2] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven ten aanzien van het laatste gebruik en de technische staat van de auto. ASR heeft daarom geweigerd om een schadebedrag uit te keren en heeft de persoonsgegevens van [eiser sub 2] in interne en externe verzekeringsregisters opgenomen. Hierdoor kan [eiser sub 2] (en zijn partner) nog maar op een zeer beperkte wijze een verzekering afsluiten. In deze procedure vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] betaling van € 24.500,- aan schadebedrag voor de auto en doorhaling van de persoonsgegevens in de interne en externe verzekeringsregisters, op straffe van een dwangsom. Ook vorderen zij rente en kosten. De kantonrechter beslist dat zij niet bevoegd is om van de vordering tot doorhaling van de persoonsgegevens kennis te nemen en wijst de overige vorderingen af. Hieronder zal worden uitgelegd waarom.
3. De beoordeling
De kantonrechter kan geen kennis nemen van de vordering tot doorhaling
Tussen partijen is niet in geschil dat ASR de persoonsgegevens van [eiser sub 2] in interne en externe verzekeringsregisters heeft opgenomen. In geschil is of ASR de persoonsgegevens daar uit had moeten (doen) verwijderen, nadat [eiser sub 2] bezwaar tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens had gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat zij onbevoegd is om van een dergelijke vordering kennis te nemen.
Op de verwerking van persoonsgegevens is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (hierna: AVG) van toepassing. Uitgangspunt daarvoor is een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank. Daarvoor is geen advocaat nodig. Wel moet zo’n verzoek binnen een termijn van zes weken worden ingediend nadat ASR heeft geweigerd de betreffende registraties uit de registers te (doen) verwijderen. De kantonrechter in kort geding is niet de aangewezen instantie om, vooruitlopend op de uitkomst van de verzoekschriftprocedure, een voorlopig oordeel hierover te geven. Daar komt bij dat niet is gebleken dat [eiser sub 2] spoedeisende belang heeft bij deze vordering. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
Met een brief van 3 april 2024 heeft ASR voor het eerst bericht dat zij de persoonsgegevens van [eiser sub 2] in een aantal interne en externe verzekeringsregisters zal opnemen voor een periode van respectievelijk zeven, dan wel acht jaar. Reden daarvoor was dat [eiser sub 2] volgens ASR een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven ten aanzien van het laatste gebruik en de technische staat van de gestolen auto. Tegen dit besluit heeft [eiser sub 2] toen bezwaar gemaakt, waarop ASR met een e-mail van 8 mei 2024 heeft beslist dat de registratie van de persoonsgegevens niet ongedaan wordt gemaakt. Vrijwel een jaar later, namelijk op 11 maart 2025, heeft ASR [eiser sub 2] wederom bericht dat zij zijn persoonsgegevens in een aantal interne en externe verzekeringsregisters zal opnemen voor een periode van acht jaar. Reden daarvoor was dit keer dat [eiser sub 2] zijn mededelingsplicht niet is nagekomen.
De kantonrechter begrijpt de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ingestelde vordering tot doorhaling van alle op naam geplaatste registraties in interne en externe verzekeringsregisters zo dat deze ziet op de besluiten van ASR van 3 april 2024 en 11 maart 2025. Uit het dossier blijkt niet dat [eiseres sub 1] of [eiser sub 2] in de periode na de beslissing op het bezwaar van 8 mei 2024 en de periode tussen het laatste besluit en de dagvaarding van 9 oktober 2025 iets heeft/hebben ondernomen om de registratie van de persoonsgegevens te voorkomen of te bestrijden. Dit maakt onbegrijpelijk waarom de zaak nu ineens spoedeisend zou zijn. Voor zover de spoedeisendheid voortkomt uit de vrees dat ook de partner van [eiser sub 2] onverzekerd dreigt te raken, is dat verder niet onderbouwd. Bovendien is de partner van [eiser sub 2] geen partij in deze procedure.
De kantonrechter zal [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] daarom ten aanzien van de vordering tot doorhaling van de persoonsgegevens niet-ontvankelijk verklaren. Van de overig ingestelde vorderingen kan de kantonrechter wel kennisnemen.
De vordering tot betaling van het schadebedrag zal worden afgewezen
De door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gevorderde betaling van € 24.500,- aan schadebedrag voor de auto zal worden afgewezen, omdat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van enig spoedeisend belang. Van een spoedeisend belang is sprake als een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eiseres sub 1] of [eiser sub 2] niet kan worden verlangd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht. Op de zitting hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] verklaard dat die spoedeisendheid er ook niet is, omdat voor de vordering tot betaling van het schadebedrag een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Nu die spoedeisendheid ontbreekt, en dit wel voor een beoordeling in kort geding vereist is zal deze vordering worden afgewezen. Met deze uitkomst bestaat er ook geen aanleiding om rente of kosten toe te wijzen.
[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] moeten de proceskosten betalen
[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
4. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] niet-ontvankelijk in hun vordering tot doorhaling van de persoonsgegevens in de interne en externe verzekeringsregisters;
veroordeelt [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
LHJ/63796