RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, het college
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/208
(gemachtigde: mr. A. Ang),
en
(gemachtigde: E. Jozephia).
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres nog procesbelang heeft bij een (inhoudelijke) beoordeling van haar beroep tegen de weigering van het college om haar en haar kinderen maatschappelijk opvang en ondersteuning te bieden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk mocht verklaren omdat eiseres geen procesbelang heeft. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De gemachtigde van eiseres heeft op 30 mei 2025 bij regiokantoor Gooi en Vechtstreek een schriftelijke melding gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Deze melding is doorgestuurd naar de gemeente Huizen. Op 12 juli 2024 heeft eiseres bij de gemeente Huizen een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang en een tijdelijke maatwerkvoorziening. Zij verzoekt uiterlijk 17 juli 2024 te beslissen.
Met het besluit van 18 juli 2024 heeft het college de aanvraag om maatschappelijke ondersteuning afgewezen omdat eiseres niet heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het college heeft de aanvraag voor maatschappelijk opvang doorgezonden naar het college van de gemeente [plaats] omdat beslissingen over maatschappelijke opvang zijn gemandateerd aan de Centrumgemeente [plaats] .
Op 18 juli 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt bij het college tegen het niet nemen van een besluit op de aanvraag van 12 juli 2024 en tegen het besluit van 18 juli 2024.
Op 30 juli 2024 heeft de algemeen directeur van de gemeente [plaats] namens het college de aanvraag van 12 juli 2024 afgewezen voor zover die het verzoek om maatschappelijke opvang betrof. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen noodzaak meer is voor opvang omdat is gebleken dat eiseres en haar kinderen sinds 31 juli 2024 onderdak hebben gevonden. Tegen dit besluit heeft eiseres op 28 augustus 2024 bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 27 november 2024 heeft het college de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of het college de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, zoals in het geval van eiseres, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
5. In het kader van de beoordeling van het procesbelang heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres op 10 oktober 2025 een brief gestuurd. De rechtbank heeft daarin gevraagd om aan te geven waarin het procesbelang is gelegen en om hierbij te betrekken of de gemachtigde nog contact heeft met eiseres en zo ja, of zij inmiddels in [plaats] (of elders) woonruimte heeft voor haarzelf en haar kinderen en sinds wanneer.
6. De rechtbank stelt vast dat met de reactie van 29 oktober 2025 op deze vragen geen inhoudelijke reactie is gekomen. Dit betekent dat onvoldoende is onderbouwd waarom een (inhoudelijk) oordeel over het bestreden besluit van belang zou kunnen zijn voor een toekomstige periode. Bovendien heeft het college in het bestreden besluit aangegeven dat eiseres inmiddels geen ingezetene meer is van de gemeente Huizen. Eiseres is verhuisd naar [plaats] waardoor het verstrekken van een maatwerkvoorziening vanuit het college van de gemeente Huizen niet meer mogelijk is. Eiseres heeft dit standpunt niet weersproken.
7. De rechtbank oordeelt verder dat in het verzoek om vergoeding van immateriële schade ook geen procesbelang is gelegen. Hiervoor is het volgende van belang.
8. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen, zal degene die zich beroept op opgelopen geestelijk letsel voldoende concrete gegevens moeten aanleveren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het bestreden besluit.
9. In het geval van eiseres en haar kinderen is aan dit vereiste niet voldaan. Namens eiseres is in de brief van 29 oktober 2025 gesteld dat zij en haar kinderen door nalaten van het college dakloos zijn geworden en daardoor lange tijd een zwervend bestaan hebben geleid. Daarbij bestond de dreiging om eiseres en haar kinderen van elkaar te scheiden en daarbij Veilig Thuis is te schakelen. Dat heeft zeer grote stress veroorzaakt die tot op de dag van vandaag voelbaar is. Het college heeft volgens eiseres de belangen van haar kinderen onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. De rechtbank oordeelt dat deze toelichting onvoldoende concreet is en bovendien niet verder wordt onderbouwd. Eiseres heeft hiermee dus geen begin van bewijs geleverd voor het ontstaan van schade volgens de hier aan te leggen maatstaf. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan eiseres geen vergoeding van schade toe wegens aantasting in de persoon zonder (enige) nadere concretisering en onderbouwing van de gevolgen van de (gestelde) aantasting.
10. Tot slot overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak er ook geen procesbelang gelegen is in een verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar.
11. Het voorgaande betekent dat het college het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren omdat eiseres geen procesbelang heeft. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Venderbosch, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.