[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Minister van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. E. Spekreijse).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers wapenverlof.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het wapenverlof mocht worden ingetrokken. Er zijn zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken, maar die doen niet af aan de juistheid van de intrekking van het wapenverlof. Voor een vergoeding van de bewaarkosten van de wapens bestaat geen grond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Inleiding
2. Aan eiser was verlof verleend voor het bezit van twee vuurwapens, laatstelijk op 1 maart 2022. Op 6 juni 2022 vond er bij eiser thuis een controle plaats op de naleving van de regels rondom het wapenbezit. Tijdens deze controle zijn patronen in eisers wapenkluis aangetroffen, die niet separaat van elkaar in een afzonderlijke deugdelijke bergplaats opgeslagen lagen. Daarnaast is een wapen met meerdere patronen buiten eisers wapenkluis aangetroffen. Vanwege de geconstateerde overtredingen besloot de korpschef van de politie (de korpschef) op 26 september 2022 om het wapenverlof in te trekken. Met het bestreden besluit van 24 juli 2024 op het administratieve beroep van eiser is de minister bij de intrekking van eisers wapenverlof gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Had eiser gehoord moeten worden?
3. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord tijdens het administratieve beroep, ondanks dat hij kenbaar heeft gemaakt dit wel te willen.
De rechtbank stelt vast dat de minister heeft aangegeven dat eiser (opnieuw) had moeten worden uitgenodigd voor een hoorzitting, gelet op het tijdsverloop sinds de eerste uitnodiging. Dit is ten onrechte niet gebeurd en levert een zorgvuldigheidsgebrek op. Er hoeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen nieuwe hoorzitting plaats te vinden, want eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn verhaal op de zitting bij de rechtbank toe te lichten.
Moet het besluit van tafel vanwege tijdsverloop van het administratieve beroep?
4. Eiser stelt dat de behandeling van zijn administratieve beroep veel te lang heeft geduurd. Hij heeft op 28 oktober 2022 administratief beroep ingesteld en de minister heeft daar pas op 24 juli 2024 op beslist. De intrekking van het wapenverlof zou daarom niet meer aan de orde mogen zijn.
De rechtbank is het met eiser eens dat de behandeling van zijn administratieve beroep te lang heeft geduurd. Dit betekent echter niet dat de intrekking van het wapenverlof enkel vanwege het tijdsverloop van het administratieve beroep niet meer aan de orde is. De korpschef heeft binnen enkele weken na de controle het voornemen bekendgemaakt om het wapenverlof in te trekken en heeft dit vervolgens op 26 september 2022 daadwerkelijk gedaan. Bovendien zijn er andere mechanisme om trage besluitvorming tegen te gaan, zoals bijvoorbeeld opgenomen in paragraaf 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Mag het wapenverlof worden ingetrokken?
5. Eiser vindt dat zijn wapenverlof niet mag worden ingetrokken. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat er door de politieagenten die de controle uitvoerden, een inbreuk is gemaakt op zijn huisrecht. Eiser heeft de politieagenten enkel toestemming gegeven om zijn woning te betreden en specifiek de kamer waarin de wapenkluis staat. Hij heeft geen toestemming gegeven om zijn slaapkamer te betreden. Toen tijdens de controle duidelijk werd dat er maar één wapen in de wapenkluis lag, heeft eiser verteld dat het tweede wapen zich in zijn slaapkamer bevond maar dat de agenten geen toestemming van hem kregen die slaapkamer te betreden. Zij hebben dit echter alsnog gedaan. Eiser heeft deze grond tijdens het administratief beroep ook al naar voren gebracht, maar daarop is niet gereageerd. Daarnaast wijst eiser erop dat hij weliswaar niet alle regels heeft gevolgd, maar dat het tweede wapen alleen buiten de wapenkluis lag omdat hij van plan was het te gaan schoonmaken. Tot slot vindt hij de intrekking een te zware maatregel.
6. Volgens de minister is het wapenverlof terecht ingetrokken. Er is geen sprake van onrechtmatig binnentreden van de slaapkamer. Eiser heeft toestemming gegeven voor het binnentreden van zijn woning en daarmee voor alle ruimtes in die woning. De politie moet ook wel alle ruimtes kunnen betreden om te kunnen controleren of de voorschriften voor het wapenverlof worden nageleefd. Uit het mutatierapport van de politie blijkt bovendien niet dat er sprake is geweest van een discussie met betrekking tot het binnentreden van de slaapkamer of dat eiser hiervoor zijn toestemming heeft onthouden. De minister betwist dit dan ook. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat, als dit argument van eiser slaagt, het voor de intrekking van het wapenverlof niet uitmaakt. Ook zonder de bevindingen in de slaapkamer staat vast dat de voorschriften niet zijn nageleefd. Dit zijn bovendien geen kleine onregelmatigheden. Er moet streng worden toegezien op verlofhouders en de geconstateerde overtredingen rechtvaardigen de intrekking van het verlof.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister bevoegd is om een wapenverlof in te trekken als de daaraan verbonden voorschriften niet zijn nageleefd. Die voorschriften houden onder meer in dat wapens en munitie separaat van elkaar in een afzonderlijke deugdelijke bergplaatsen worden opgeslagen.
Dat de voorschriften zouden zijn overtreden, is vastgesteld op grond van de bevindingen tijdens de controle op 6 juni 2022. De rechtbank oordeelt daarom eerst over die controle en of de politieagenten bevoegd waren de slaapkamer van eiser te betreden. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eiser dit punt al in administratief beroep naar voren heeft gebracht, maar dat de minister hier in de beslissing op het administratief beroep niet op heeft gereageerd. Dit betekent dat die beslissing een motiveringsgebrek kent. De rechtbank wijst er verder op dat toezichthouders, zoals de politieagenten in dit geval, niet zomaar een woning mogen binnentreden. Op grond van artikel 5:14, eerste lid, van de Awb is een toezichthouder alleen bevoegd een woning binnen te treden als hij daarvoor toestemming van de bewoner heeft. Hieruit volgt dat als die toestemming op enig moment tijdens een controle wordt ingetrokken of wordt onthouden voor een bepaalde kamer in de woning, de toestemming op dat moment niet langer bestaat. Het is dan ook niet zo dat een eenmaal gegeven toestemming niet meer door de bewoner kan worden ingetrokken. De rechtbank begrijpt daarnaast dat de politie alle ruimtes tijdens een huisbezoek wilt kunnen betreden om de controle goed te kunnen uitvoeren, maar zonder toestemming van de bewoner mag dat volgens de wet niet. Dat hoeft overigens niet te betekenen dat iemand die niet meewerkt aan een controle een wapenverlof behoudt. Bij het onthouden van toestemming kan de consequentie immers de intrekking van het wapenverlof zijn.
Gelet op dit geschetste kader is relevant of eiser al dan niet toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de slaapkamer. Partijen verschillen hierover van mening. De rechtbank stelt vast dat het mutatierapport hierover geen duidelijkheid geeft. Het enkele feit dat daarin niet staat vermeld dat eiser de toestemming heeft onthouden of dat er een gesprek hierover heeft plaatsgevonden, is onvoldoende om niet van eisers lezing van de feitelijke gang van zaken uit te gaan. Het mutatierapport is geen op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Het is een korte beschrijving van de controle, waaronder geen namen of ondertekening staan. Dat betekent dat er minder bewijswaarde aan het mutatierapport toekomt en niet alleen op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de beschrijving van eiser niet klopt. Gelet op dit mutatierapport en het standpunt van eiser, dat hij van meet af aan heeft ingenomen, had het op de weg van de minister gelegen om navraag te doen bij de politie over de gang van zaken tijdens de controle. Dit heeft de minister niet gedaan. Aangezien de controle inmiddels drie jaar geleden is, acht de rechtbank het niet opportuun om de minister op te dragen dit alsnog te doen. Om deze redenen gaat de rechtbank uit van eisers weergave van de gang van zaken tijdens de controle. De rechtbank neemt met andere woorden aan dat eiser zijn toestemming heeft onthouden voor het binnentreden van zijn slaapkamer. Dat betekent dan ook dat de politieagenten de slaapkamer onrechtmatig hebben betreden.
De vraag is echter wat dit betekent voor de intrekking van het wapenverlof. Zoals gezegd, kan het wapenverlof worden ingetrokken als de voorschriften niet zijn nageleefd. Dat de voorschriften niet zijn nageleefd, staat ook zonder de bevindingen in de slaapkamer vast. De patronen in eisers wapenkluis lagen niet separaat van elkaar in een afzonderlijke deugdelijke bergplaats opgeslagen. In de kluis lag bovendien maar één wapen en eiser heeft zelf verklaard dat het andere wapen in de slaapkamer – en dus buiten de wapenkluis – lag. Dit betekent dat er voldoende grondslag is voor de vaststelling dat de voorschriften niet zijn nageleefd. De rechtbank laat daarom verder in het midden of het bewijs dat in de slaapkamer is gevonden al dan niet buiten beschouwing moet worden gelaten vanwege het onrechtmatig binnentreden van die ruimte.
Deze overtreding van de voorschriften heeft bovendien terecht tot intrekking van het wapenverlof geleid. Dat het vuurwapen alleen buiten de wapenkluis lag, omdat eiser het wilde schoonmaken, is niet relevant. Zelfs als dat het geval zou zijn, dan geldt dat hij het wapen niet onbeheerd buiten de kluis had mogen laten liggen. Voor zover eiser betoogt dat de intrekking een te zware maatregel is, wijst de rechtbank er tot slot op dat de overtreding van de voorschriften hier geen lichte onregelmatigheden zijn geweest. Het niet veilig opbergen van een vuurwapen en het niet separaat bewaren van munitie vormt een potentieel ernstig gevaar voor de veiligheid van de samenleving. Er had daarom niet met een minder vergaande maatregel te hoeven worden volstaan. Dat eiser al 36 jaar een wapenverlof heeft gehad en niet eerder de voorschriften heeft overtreden, maakt dat niet anders.
De korpschef heeft het wapenverlof mogen intrekken. De minister heeft deze intrekking terecht in stand gelaten.
Maakt eiser aanspraak op een vergoeding voor de bewaarkosten van zijn wapens?
8. Eiser vraagt om een vergoeding voor de bewaarkosten van de wapens die vanwege het besluit bij de politie in beheer zijn.
9. De rechtbank stelt vast dat dit een verzoek om schadevergoeding betreft. Dit verzoek wijst de rechtbank af, want het wapenverlof is terecht ingetrokken. Van een onrechtmatig besluit met de gestelde schade als gevolg is met andere woorden geen sprake.
Conclusie en gevolgen
10. Vanwege de geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het besluit van 24 juli 2024. Zij laat echter de rechtsgevolgen daarvan in stand, omdat het wapenverlof terecht is ingetrokken. Om deze reden wordt het verzoek van eiser om een vergoeding voor de bewaarkosten van zijn wapens afgewezen.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht wel vergoeden aan eiser. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 juli 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.