[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen dwangbevelkosten vanwege de terugvorderingen van huur- en zorgtoeslag over de jaren 2019, 2021 en 2022.
Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiseres heeft Dienst Toeslagen de dwangbevelkosten uit coulance verminderd tot nihil.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De zitting vond plaats op 8 juli 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Eiseres heeft zich voor de zitting afgemeld.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak gaat om het besluit van 30 mei 2024. Dat is een besluit op bezwaar waartegen beroep kan worden ingesteld en wat de bestuursrechter dus kan beoordelen. In dat besluit is besloten de dwangbevelkosten te verminderen naar € 0,-, oftewel: eiseres hoeft de dwangbevelkosten niet te betalen.
3. Dat roept de vraag op of eiseres wel procesbelang heeft in deze procedure. Voldoende procesbelang wordt namelijk alleen aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat feitelijke betekenis heeft. Dat is in deze zaak niet het geval. Zoals gezegd, is het beroep gericht tegen het besluit van 30 mei 2024, waarin de dwangbevelkosten al zijn verminderd naar €0,-. Eiseres kan met deze procedure dus niet meer bereiken dat zij de dwangbevelkosten niet hoeft te betalen; dat hoeft ze al niet.
4. De argumenten die eiseres verder aanvoert, houden geen verband met het besluit dat hier voorligt. Die argumenten gaan namelijk – kort gezegd – over de manier waarop eiseres door Dienst Toeslagen zou worden behandeld, over kwijtschelding van de toeslagschuld en het niet mogen meenemen van het spaargeld van haar man. Via deze procedure kan eiseres hierover niets bereiken. Bovendien zijn hierover al andere procedures gevoerd, die tot uitspraken hebben geleid. De rechtbank is verder ook voor het overige niet van procesbelang gebleken. Eiseres is ook niet naar de zitting gekomen om dit toe te lichten.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank is ook niet gebleken dat eiseres twee keer griffierecht zou hebben betaald en daarom het griffierecht zou moeten terugkrijgen. Er is daarnaast niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2025 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.