RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7443
(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Keesen).
1. Deze uitspraak gaat over eiseres haar aanvraag voor bijzondere bijstand. Eiseres is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing daarvan. De rechtbank beoordeelt het besluit van verweerder aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder niet ten onrechte € 151,99 aan bijzondere bijstand heeft toegekend. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor dubbele huur, verf, een vloer en een elektrische kookplaat.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 september 2024
afgewezen.
3. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij een bedrag van € 151,99 toegekend voor dubbele huur, een vloer en verf, waarbij rekening is gehouden met de reserverings-capaciteit en draagkracht van eiseres. Voor het overige is de bijzondere bijstand afgewezen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of bijzondere bijstand moet worden toegekend voor dubbele huur, verf en een vloer (laminaat).
5. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
6. De kosten van verhuizing en woninginrichting zijn incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten in het individuele geval een objectieve noodzaak bestaat, kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Of iemand voor de kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
7. Tussen partijen is in geschil of sprake is van bijzondere omstandigheden en of de kosten uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
8. Eiseres heeft in beroep verwezen naar de gronden van bezwaar. Zij heeft in beroep nogmaals aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schulden van eiseres. Daarnaast stelt eiseres dat deze situatie zich leent voor een maatwerkbeoordeling.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de bezwaargronden van eiseres gemotiveerd heeft weerlegd. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door bijzondere omstandigheden niet kon reserveren. Dat eiseres schulden heeft is volgens verweerder niet een bijzondere omstandigheid. Verweerder heeft verder aan de hand van een berekening uitgelegd dat ook als de schuldaflossing wordt meegewogen, voor eiseres de mogelijkheid bestond om maandelijks een bedrag te reserveren. Eiseres heeft deze berekening niet bestreden en ter zitting heeft haar gemachtigde erkend dat die berekening klopt. Dit betekent dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door schulden niet in staat was voor de kosten te reserveren. Eiseres heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden en dat de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Gelet hierop kan de stelling dat er een maatwerkbeoordeling moet worden gemaakt niet tot een ander oordeel leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.