[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
De Minister voor Rechtsbescherming
(gemachtigde: mr. M. Singh).
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).
Eiser heeft de VOG aangevraagd voor zijn werk als taxichauffeur. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 oktober 2023 afgewezen, omdat eiser kort voor zijn aanvraag een forse snelheidsovertreding in het verkeer heeft begaan en herhaling daarvan een risico voor de samenleving zou opleveren (het objectieve criterium), terwijl dat belang van de samenleving zwaarder moet wegen dan het persoonlijke belang van eiser (het subjectieve criterium). Bij het bestreden besluit van 30 januari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. Het beroep is ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde VOG, omdat hij binnen de terugkijktermijn in aanraking is gekomen met justitie vanwege een strafbaar feit, en omdat het risico voor de samenleving in dit geval zwaarder weegt dan de belangen van eiser Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Waarom heeft de minister de aanvraag afgewezen?
3. Eiser heeft in het kader van zijn koeriers- en taxibedrijf een VOG-aanvraag gedaan om zijn beroep als taxichauffeur te kunnen uitoefenen.
4. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2022 (de beleidsregels). Daarin is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de minister aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de minister of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt de minister, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat een VOG toch moet worden afgegeven.
5. De minister heeft de aanvraag afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS het volgende feit is geregistreerd:
- bij strafbeschikking van 27 november 2023 is aan eiser een geldboete van €1.450,- opgelegd en is hem een rijontzegging voor de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 52 dagen wegens overschrijden van de maximumsnelheid met 83 km/u buiten de bebouwde kom.
6. Dit feit vormt volgens de minister, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Verder vindt de minister dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG, omdat het rijden met zo een hoge snelheid een risico voor de samenleving oplevert en niet bij het beroep van een taxichauffeur past.
Heeft de minister aanleiding moeten zien om alsnog een VOG te verstrekken?
7. De rechtbank stelt vast dat niet wordt betwist dat aan het objectieve criterium wordt voldaan. De gronden van eiser richten zich dus enkel op de toetsing aan het zogenoemde subjectieve criterium en artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de gevolgen van het handelen overeenkomstig de beleidsregels wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
8. Eiser stelt dat zijn belang zwaarder meegewogen dient te worden dan dat van de samenleving bij het gestelde risico bij het afgeven van de VOG. Eiser voert hiertoe aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het besluit voor zijn bedrijfsvoering. Eiser heeft een eigen koeriers- en taxibedrijf. De opbrengsten van zijn koerierswerkzaamheden zijn onvoldoende om zijn maandelijkse kosten te dekken, zowel privé als zakelijk. Eiser is tevens kostwinner van zijn gezin en zijn schulden zijn inmiddels zo hoog opgelopen dat de belastingdienst beslag heeft gelegd op zijn auto’s. Verder stelt eiser dat het om een eenmalige snelheidsovertreding gaat binnen de 11 jaar tijd dat hij zijn rijbewijs bezit. Het betreft dus een uitzondering en de gevolgen daarvan zijn niet in verhouding. Bovendien heeft eiser zich aangemeld voor een cursus verantwoord rijgedrag bij het CBR. Eiser doet vanwege deze zwaarwegende belangen een beroep op artikel 4:84 van de Awb, omdat de gevolgen van het niet verlenen van de VOG wegens bovengenoemde bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat de weigering van de VOG niet onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De belangen van eiser zijn hierbij voldoende gemotiveerd meegewogen, maar de minister vindt dat het belang van de samenleving zwaarder moet wegen gelet op het tijdsverloop sinds de verkeersovertreding en de zwaarte van de daarvoor opgelegde straf.
10. De rechtbank stelt voorop dat zij ziet dat eiser belang heeft bij het krijgen van de VOG. Hoe groot dat belang is, is voor de rechtbank lastig te wegen, omdat eiser zijn standpunten maar beperkt heeft onderbouwd. Gebleken is dat eiser schulden heeft, maar dat hij wel een fulltime baan als koerier heeft. De minister heeft daarom aan de verkeersovertreding, in samenhang met het risico voor de samenleving als eiser aan het werk gaat als taxichauffeur, een groter gewicht mogen toekennen dan aan de persoonlijke belangen van eiser en heeft een groter belang mogen hechten aan de onverenigbaarheid van de overtreding die eiser heeft begaan met het werk van een taxichauffeur. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser voor ander soort werkzaamheden mogelijk wel een VOG krijgt, wat ook het geval is nu eiser wel een VOG heeft om zijn koerierswerkzaamheden uit te voeren. Bovendien heeft eiser ter zitting te kennen gegeven dat hij zijn vaste lasten kan betalen met de laatstgenoemde werkzaamheden.
11. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient de minister, aan de hand van alle omstandigheden van het geval, na te gaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daaronder vallen ook de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn meegewogen door de minister en maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat de weigering van de VOG onevenredig is met de te dienen doelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verder verstrijken van de tijd in de toekomst mogelijk tot gevolg kan hebben dat aan eiser wel een VOG voor de uitoefening van zijn werkzaamheden als taxichauffeur kan worden verleend. Het subjectieve criterium laat ruimte voor een belangenafweging bij het verstrijken van tijd.
12. De minister heeft zich gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat de gevolgen van de toepassing van de beleidsregels voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De afwijzing van de gevraagde VOG voor eiser blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.