RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de korpschef van politie, namens deze, de politiechef van Eenheid Amsterdam
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/895
en
(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot).
1. Deze uitspraak gaat over over een verzoek om politiegegevens te vernietigen. Eiser heeft een verzoek gedaan om politiegegevens die hem betreffen te verwijderen, dan wel te vernietigen. Dit verzoek is gedeeltelijk afgewezen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de korpschef een verplichting tot vernietiging van de gegevens heeft op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet politiegegevens (Wpg).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven wél in stand. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond, maar de politiegegevens worden niet vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 8 maart 2022 en 17 maart 2022 heeft eiser verzoeken gedaan tot verwijdering en vernietiging van zeven mutaties.
3. De korpschef heeft het verzoek tot verwijdering van de mutaties bij beslissing van 9 augustus 2022 (deels) afgewezen.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van 9 augustus 2022 en dit beroep is op 2 mei 2023 door de rechtbank Amsterdam behandeld.
5. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep gegrond verklaard en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing te nemen ten aanzien van de mutaties PL 1300-2018048588 en PL1100-2022006824, vanwege het ontbreken van een juiste motivering.
6. Op 5 december 2024 heeft de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit). Bij dat besluit heeft de korpschef besloten om de mutaties PL 1300-2018048588 en PL1100-2022006824 niet te vernietigen. Daarbij heeft hij een nieuwe motivering gegeven.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
9. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Dient eiser schadevergoeding te krijgen?
Had verweerder de politiegegevens moeten vernietigen?
10. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat de mutaties vernietigd moeten worden. Hij voert aan dat de weigering van verweerder om politiegegevens te vernietigen onrechtmatig is en dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam niet is opgevolgd. Er is niet voldaan aan de vereiste verzwaarde motivering na vrijspraak of sepot. Daarnaast heeft het bewaard blijven van de gegevens een grote impact op zijn leven. Eiser verzoekt daarom ook een schadevergoeding toe te kennen in verband met de onrechtmatigheid van het besluit.
11. De rechtbank overweegt dat slechts een verplichting tot vernietiging van politiegegevens geldt als aan één van de voorwaarden uit artikel 28, tweede lid, van de Wpg wordt voldaan. De korpschef heeft daarbij geen beslissingsruimte en politiegegevens kunnen ook niet op grond van een belangenafweging worden vernietigd. Dit betekent dat politiegegevens slechts kunnen worden vernietigd wegens strijd met een wettelijk voorschrift of om te voldoen aan een wettelijke verplichting.
12. Over de mutatie met kenmerk PL1 300-201 8048588 overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 14, eerste lid, van de Wpg volgt dat verwijderde politiegegevens gedurende een termijn van vijf jaar worden bewaard ten behoeve van verwerking met het oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van verrichtingen en dat ze vervolgens worden vernietigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitgelegd dat de mutatie op grond van deze bepaling wordt bewaard. De mutatie met kenmerk PL1 300-201 8048588 is gedateerd op 14 december 2018. Dit betekent dat de termijn van vijf jaar verlopen is op 15 december 2023. Vanaf dat moment zijn de gegevens verwijderd en worden deze dus alleen bewaard op grond van artikel 14 van de Wet Politiegegevens. Die termijn van 5 jaren voor vernietiging van de gegevens verloopt op 15 december 2028. Eiser heeft geen wettelijk voorschrift genoemd waarmee het verwerken van deze politiegegevens in strijd is en ook geen wettelijke verplichting genoemd op grond waarvan de politiegegevens moeten worden vernietigd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de korpschef de politiegegevens van de registratie waar het eiser om gaat terecht heeft verwerkt, omdat eiser verdachte was van een strafbaar feit. Het feit dat eiser is vrijgesproken of dat een zaak is geseponeerd maakt niet dat de politiegegevens niet kunnen worden verwerkt ten behoeve van verwerking met het oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van verrichtingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de korpschef op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg terecht heeft geweigerd om de politiegegevens te vernietigen.
13. Over mutatie PL1 100-2022006824 overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in het bestreden besluit een verkeerde grondslag en motivering is genoemd voor de afwijzing van het verzoek. Anders dan in het bestreden besluit staat, wordt ook deze mutatie nog slechts bewaard op grond van artikel 14 van de Wpg. Het besluit is daarom niet goed gemotiveerd en kan wat betreft deze mutatie niet in stand blijven. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank zal onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor deze mutatie wel in stand kunnen blijven.|
14. Hetgeen hiervoor onder 12 is overwogen over het bewaren van politiegegevens op grond van artikel van de Wpg, geldt ook voor mutatie PL1 100-2022006824. De gegevens zijn in eerste instantie terecht verwerkt en worden nu nog ‘slechts’ bewaard met het oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van verrichtingen. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor deze mutatie in stand blijven.
15. Eiser heeft om €7500,- schadevergoeding gevraagd voor dit zware hoofdstuk uit zijn leven. Hij is al jaren bezig om de mutaties verwijderd te krijgen. De trage besluitvorming en het constant moeten vragen waar deze blijft, heeft eiser opgebroken. Hierdoor heeft hij 1,5 jaar depressief thuis gezeten. Hij wil duidelijkheid en verder met zijn leven. Verweerder dient zijn werk goed uit te voeren en dit heeft hij nagelaten, ook ten aanzien van andere beslissingen. Eiser wil hiervoor worden gecompenseerd.
16. De rechtbank overweegt dat op basis van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en 31c van de Wpg, de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, onder andere, een onrechtmatig besluit en een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
17. Eiser heeft de gestelde schade als gevolg van het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan dus niet controleren of hetgeen eiser stelt te hebben meegemaakt, daadwerkelijk verband houdt met het bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank daarom af, behoudens het navolgende.
18. Eiser komt in aanmerking voor schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, nu de rechtbank begrijpt dat hij daarom verzoekt.
19. De redelijke termijn vangt in dit geval aan op het moment dat het eerste beroepschrift is ingediend bij de rechtbank Amsterdam, nu er geen sprake was van een bezwaarfase. De behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren. De periode waarin het bestuursorgaan, na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, een nieuwe besluit neemt, telt hierin mee, alsook de daartegen gerichte procedure(s).
20. In deze zaak is het beroepschrift in eerste instantie op 19 september 2022 door de rechtbank Amsterdam ontvangen. Dit betekent dat tot de datum van deze uitspraak de procedure bijna drie jaar heeft geduurd. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond naar anderhalf jaar. Bij overschrijding van de redelijke termijn dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Hierdoor bestaat aanspraak op een schadevergoeding van € 1.500,-.
21. De termijnoverschrijding wordt toegerekend aan verweerder. Immers, na de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2023 heeft verweerder pas op 5 december 2024 een nieuw besluit genomen. Dat betreft een periode van bijna 16 maanden, terwijl de rechtbank 6 weken de tijd had gegeven voor een nieuwe beslissing. Daarom dient verweerder het volledige bedrag van € 1.500,- te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Dat betekent dat gegevens niet vernietigd hoeven te worden.
Vanwege het geconstateerde gebrek zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt en dat eiser recht heeft op schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond voor zover dat ziet op mutatie PL1 100-2022006824;
- laat de rechtgevolgen van het bestreden besluit (ook) ten aanzien van mutatie PL1 100-2022006824 in stand;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1.500,- en bepaalt dat verweerder dit bedrag aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.