RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11892049 \ UV EXPL 25-238 WMB/61313
Vonnis in kort geding van 21 november 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C. van der Mark,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 17 oktober 2025;- de brief met een aanvullende productie van [eiser] van 20 oktober 2025;
- de e-mail met producties van [gedaagde] van 24 oktober 2025;
- de e-mail met een aanvullende productie van [gedaagde] van 24 oktober 2025;- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Bij de mondelinge behandeling is [eiser] samen met mr. Van der Mark verschenen. Mr. Kobossen is namens [gedaagde] verschenen. Hij heeft uitgelegd dat de directeur van [gedaagde] niet aanwezig kon zijn vanwege een vakantie. Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota gebruikt. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter in overleg met partijen besloten om de zaak aan te houden, zodat zij konden proberen een schikking te bereiken. Op 4 november 2025 heeft [eiser] verzocht om de zaak nogmaals aan te houden om dezelfde reden. Op 7 november 2025 heeft [eiser] verzocht om vonnis te wijzen. Daarop volgt nu dit vonnis.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] heeft een dakkapel op het woonhuis van [eiser] geplaatst, maar is daarbij uitgegaan van verkeerde tekeningen. De dakkapel is daardoor niet ‘vergunningsvrij’ geplaatst, omdat hij te hoog op het dak staat. [eiser] wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de fout binnen vier weken te herstellen door de dakkapel op de juiste manier te plaatsen. [gedaagde] erkent dat zij is uitgegaan van de verkeerde tekeningen, maar stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, en dat zij meer tijd nodig heeft om een staalbewerker naar het herstelplan te laten kijken. De vorderingen van [eiser] worden grotendeels toegewezen.
3. De beoordeling
De kantonrechter is bevoegd
Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is de kantonrechter bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het geldelijk belang van de zaak een hogere waarde vertegenwoordigd dan € 25.000,00, waardoor de kantonrechter niet bevoegd is. Dat heeft zij onvoldoende onderbouwd, omdat de originele prijs voor het plaatsen van de dakkapel € 13.900,00 was en zij niet duidelijk heeft gemaakt waarom de verplaatsing op zichzelf bijna het dubbele zou kosten. Bovendien gaat het in deze zaak om een (gemengde) consumentenkoopovereenkomst, zodat de kantonrechter ook om die reden bevoegd is.
[eiser] heeft spoedeisend belang bij zijn vorderingen
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Zo’n voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als [eiser] daar een spoedeisend belang bij heeft. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, heeft hij dat. [eiser] heeft uitgelegd dat zijn partner de kamer waarin de dakkapel is geplaatst, zou gaan gebruiken als praktijkruimte. De kamer kan op dit moment niet voor dat doel worden gebruikt, omdat de kamer niet kan worden afgewerkt zolang de dakkapel niet op de juiste manier is geplaatst. Ondanks de tijdelijke oplossing die [eiser] en zijn partner daarvoor hebben gevonden, hebben zij er dus belang bij dat de dakkapel op korte termijn op de juiste manier wordt geplaatst en zij de kamer in gebruik kunnen nemen.
[gedaagde] moet de dakkapel verplaatsen
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de dakkapel moet verplaatsen op de manier zoals [eiser] heeft gevorderd en overweegt daarbij als volgt.
Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [eiser] expliciet wilde dat de dakkapel zo werd geplaatst dat daar geen vergunning voor nodig was. [gedaagde] heeft daarvoor aangepaste tekeningen gemaakt en erkent dat zij bij het plaatsen van de dakkapel per ongeluk uit is gegaan van de verkeerde tekeningen, dat de dakkapel daardoor te hoog op het dak staat, en dat zij die fout moet herstellen. Toen het herstel vanuit [gedaagde] een tijd op zich liet wachten, heeft [eiser] voorgesteld om een (specifieke) constructeur in te schakelen om een constructieberekening te maken. [gedaagde] is daar akkoord mee gegaan en heeft de rekening daarvoor betaald. De conclusie van de constructeur is dat de dakkapel kan worden verplaatst als er een stalen constructie tegen het dakspant wordt geschroefd, zodat de dakkapel in de lagere positie daarop kan steunen. Voor die aanpassing heeft de constructeur een herstelplan opgesteld.
De door [eiser] ingestelde vordering sluit voor het grootste deel in detail aan op het herstelplan. Daarnaast vordert [eiser] dat [gedaagde] een specifiek soort dakpannen gebruikt om het gat op te vullen dat ontstaat in het dak als de dakkapel lager wordt geplaatst. Het gaat daarbij om de dakpannen die ook op de rest van het dak liggen. Volgens [eiser] is bij het aangaan van de overeenkomst afgesproken dat [gedaagde] die dakpannen zou gebruiken voor de afwerking van het dak, heeft [gedaagde] dat bij het plaatsen van de dakkapel ook gedaan, en moet zij die dakpannen daarom ook bij het herstel gebruiken.
[gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het herstelplan of de eis van [eiser] dat specifieke dakpannen worden gebruikt bij het herstel. [gedaagde] heeft op de zitting wel naar voren gebracht dat zij een staalbewerker heeft moeten inschakelen om het herstelplan uit te kunnen voeren, dat die nog op locatie moe(s)t gaan kijken, en dat zij daarom een slag om de arm wilde houden. Voor zover [gedaagde] daarmee bedoelt dat er mogelijk van het herstelplan moet worden afgeweken, heeft zij onvoldoende duidelijk gemaakt waarom dat nodig zou (kunnen) zijn. De vraag of de dakkapel zelf moet worden aangepast om de constructie mogelijk te maken, zoals volgens [gedaagde] misschien het geval is, is daarbij niet relevant. Gelet op haar erkenning van de fout, is het aan [gedaagde] om datgene te doen wat nodig is om de dakkapel op de juiste plaats te krijgen.
De gevorderde termijn van vier weken wordt toegewezen
[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat de gevorderde termijn van vier weken voor het herstel onredelijk kort is. Dat betoog slaagt niet. Tijdens de zitting heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] gezegd dat het herstelplan in principe voor 16 december 2025 kan worden uitgevoerd, tenzij dat volgens de staalbewerker niet haalbaar is. [gedaagde] heeft ook daarbij niet duidelijk gemaakt waarom dat laatste het geval zou (kunnen) zijn. Deze zaak is ondertussen twee keer aangehouden zodat de staalbewerker bij [eiser] langs kon komen en partijen konden kijken of zij hun geschil onderling op konden lossen. De gevorderde termijn komt daardoor inmiddels uit op een latere datum dan 16 december 2025. De kantonrechter ziet geen reden om van de gevorderde termijn af te wijken.
De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen
[eiser] heeft verder gevorderd dat [gedaagde] al de door de herstelwerkzaamheden ontstane schade moet vergoeden, zonder daar een bedrag bij te noemen. De vordering zal worden afgewezen, omdat [eiser] die onvoldoende concreet heeft gemaakt. Het is aan [eiser] om voldoende aannemelijk te maken dat en welke schade zal ontstaan bij het herstel. De enkele opmerking ‘bijvoorbeeld ter zake de afwerking aan de binnenzijde van de dakkapel’ is daarvoor onvoldoende, omdat niet alle kosten voor de afwerking aan de binnenzijde van de dakkapel zonder meer voor rekening van [eiser] komen.
De gevorderde dwangsom wordt deels toegewezen
De kantonrechter zal de door [eiser] gevorderde dwangsom gedeeltelijk toewijzen. Gelet op de afhoudende houding van [gedaagde] tot nu toe, ziet de kantonrechter reden om de gevorderd dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00 toe te wijzen. De daarnaast gevorderde dwangsom van € 5.000,00 per overtreding zal worden afgewezen, omdat de tijdsgebonden dwangsom op zichzelf voldoende prikkel is voor [gedaagde] om het herstel deugdelijk en volledig uit te voeren en het bovendien onvoldoende duidelijk is onder welke omstandigheden [gedaagde] die tweede dwangsom zou verbeuren.
[gedaagde] moet [eiser] € 559,63 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiser] heeft betaling van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, blijkt uit de stukken dat [eiser] buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen. Uit de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag en de uitspraken waarnaar hij verwijst, volgt dat hij uit is gegaan van het tarief dat redelijk wordt geacht voor zaken van onbepaalde waarde die worden behandeld door de handelskamer van de rechtbank. Voor kantonzaken is dat tarief lager. Een bedrag van € 559,63 (inclusief BTW) in plaats van € 1.075,76 wordt daarvoor redelijk geacht en dat bedrag zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente als vermeld in de beslissing.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
916,04
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis op deskundige en deugdelijke wijze over te gaan tot volledig en deugdelijk herstel van de dakkapel conform de vergunningsvrije variant (zijnde 50 centimeter uit de nok), daaronder ook te verstaan:
het niet tot aan de nok plaatsen van de rubberen rand, maar conform overeenkomst en zoals bedoeld in productie 17 van de dagvaarding dicht boven de dakkapel onder de buitenplaat van het sandwichpaneel plaatsen ervan,
het afdichten van het als gevolg van de verplaatsing van de dakkapel ontstane gat met de juiste dakpanelen van het merk en type Falk 1100 TR3+ 100/130 HPS Antraciet Matt als bedoeld in productie 22 van de dagvaarding,
het op de wijze zoals bedoeld op pagina 2 en 3 van het herstelplan van de constructeur als bedoeld in productie 20 van de dagvaarding:
aan weerszijden van het spant steunen van 28 mm multiplex aanbrengen en deze aan het spant verlijmen en schroeven (met type schroeven ca Ø6 x80),
opvullen van de ruimte tussen de steunen met een houten klos (welke klos op het spantbeen dient aan te sluiten),
aan de onderzijde een stalen hoek op het spant schroeven zodat de steun goed opgesloten is (hetgeen bij 3 spantbenen uitgevoerd dient te worden),
tegen beide zijwangen een houten plaat schroeven zodat er van een goede koppeling sprake is,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] € 559,63 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 916,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
- de wettelijke rente als [gedaagde] de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe heeft betaald,
- de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.