[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigden: M. Notenboom en N. Prevoo).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De zitting vond plaats op 15 juli 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen een aanvullend advies te vragen aan Argonaut. Het college heeft bij brief van 22 september 2025 het aanvullend medisch advies aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar heeft dat niet gedaan. Geen van partijen heeft aangegeven nogmaals op een zitting te willen worden gehoord. Bij brief van 14 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond omdat het eerste medische advies onvoldoende inzichtelijk was en daarom niet zonder meer aan het besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Dit omdat het aanvullende medische advies voldoende inzichtelijk is en het college onder verwijzing naar dat advies tot de afwijzing heeft mogen besluiten. Dit betekent dat eiser geen gehandicaptenparkeerkaart krijgt.
Omdat het beroep gegrond, is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.