RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen
Stichting JIM, uit Amersfoort, eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3768
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van
2 mei 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiseres is namelijk te laat met het indienen van beroep, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een beroep tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het beroepschrift niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen en tijdig ter post is bezorgd.
3. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 2 mei 2025. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 13 juni 2025 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 18 juni 2025. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft eiseres bij aangetekende brief van 23 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om te laten weten waarom zij het beroep na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend. Eiseres heeft op voorgaand verzoek van de rechtbank gereageerd op 21 juli 2025. Eiseres stelt dat zij het beroepschrift op 13 juni 2025 ter post heeft bezorgd.
5. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift binnen een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen. Bij het ontbreken van een poststempel op de envelop waarin het beroepsschrift is verzonden, kan de rechtbank niet vaststellen of het beroepschrift binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Eiseres heeft dit ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
6. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).
7. Eiseres krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
- De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: