RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6079
(gemachtigde: S. van Hoeijen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van [A] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 8 mei 2023.
Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van
29 oktober 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 21 juli 2023 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. De rechtbank heeft geconstateerd dat er tussen de aanvraag en het
ingediende beroepschrift door eiseres meer dan twee jaar zijn verstreken. De rechtbank moet beoordelen of in dit geval sprake is van een onredelijk laat ingediend beroep als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de betrokkene binnen een redelijke
termijn beroep moet instellen. Hoewel de betrokkene niet binnen een bepaalde termijn beroep hoeft in te stellen, geldt wel dat de betrokkene dit niet onredelijk laat moet doen. Wanneer sprake is van een onredelijk laat beroep kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald en dit wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt uit de rechtspraak dat van belang is of de betrokkene er nog vanuit mocht gaan dat het bestuursorgaan nog een besluit zou nemen. In dat verband kan ook van belang zijn of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen betrokkene en bestuursorgaan.
6. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat eiseres er nog van uit mocht gaan dat er nog
een besluit zou komen. Het is immers algemeen bekend dat verweerder al langere tijd kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen en dat claim- en herbeoordelingen en de afhandelingen van bezwaren daardoor erg lang op zich laat wachten.
De rechtbank kan begrijpen dat eiseres niet direct juridische stappen heeft ondernomen omdat zij op de hoogte is van de achterstanden bij verweerder. Verder heeft eiseres meermalen contact gehad met verweerder om de stand van zaken op te vragen
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk dat een betrokkene onder deze omstandigheden te snel wordt tegengeworpen dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld.
7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
8. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
10. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: