ECLI:NL:RBMNE:2025:6323

ECLI:NL:RBMNE:2025:6323, Rechtbank Midden-Nederland, 26-11-2025, 11709173

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer 11709173
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amersfoort
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005290

Samenvatting

Gedaagde en eiseres hebben een overeenkomst gesloten, op grond waarvan eiseres tegen een vast tarief incassowerkzaamheden zou verrichten voor gedaagde. Gedaagde betaalde hiervoor jaarlijks een bedrag aan eiseres. Als gedaagde in een zaak een incassotraject wilde starten, moest hij ook een bedrag aan eiseres betalen. Dit was een vast tarief, gebaseerd op de hoofdsom die gedaagde geïncasseerd wilde krijgen. Hier kon in overleg van worden afgeweken. Eiseres zegt dat gedaagde voor twee dossiers niet (geheel) heeft betaald voor de incassowerkzaamheden van eiseres. Ook heeft gedaagde het jaarlijkse bedrag voor 2023/2024 niet betaald. Eiseres vordert daar in deze procedure betaling van en wil dat gedaagde over deze bedragen de contractueel bepaalde rente en buitengerechtelijke incassokosten betaalt. Gedaagde vindt dat hij dit niet hoeft te betalen. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de jaarlijkse bijdrage voor 2023/2024 moet betalen en het door eiseres gevorderde bedrag voor één van de dossiers, in totaal € 1.00

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Amersfoort

Zaaknummer: 11709173 \ AC EXPL 25-1292

Vonnis van 26 november 2025

in de zaak van

JURESTA & PARTNERS B.V.,

gevestigd in Apeldoorn,

eisende partij,

hierna te noemen: Juresta,

gemachtigde: [B] ,

tegen

[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. W.J. de Vries.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 mei 2025,- de conclusie van antwoord van 21 juli 2025,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte wijziging van eis van 17 oktober 2025.

Op 29 oktober 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren namens Juresta de heren [A] en [B] aanwezig. [gedaagde] was ook aanwezig met zijn gemachtigde, mr. W.J. de Vries. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.

2. De kern van de zaak

[gedaagde] en Juresta hebben een overeenkomst gesloten, op grond waarvan Juresta tegen een vast tarief incassowerkzaamheden zou verrichten voor [gedaagde] . [gedaagde] betaalde hiervoor jaarlijks een bedrag aan Juresta. Als [gedaagde] in een zaak een incassotraject wilde starten, moest hij ook een bedrag aan Juresta betalen. Dit was een vast tarief, gebaseerd op de hoofdsom die [gedaagde] geïncasseerd wilde krijgen. Hier kon in overleg van worden afgeweken. Juresta zegt dat [gedaagde] voor twee dossiers niet (geheel) heeft betaald voor de incassowerkzaamheden van Juresta. Ook heeft [gedaagde] het jaarlijkse bedrag voor 2023/2024 niet betaald. Juresta vordert daar in deze procedure betaling van en wil dat [gedaagde] over deze bedragen de contractueel bepaalde rente en buitengerechtelijke incassokosten betaalt. [gedaagde] vindt dat hij dit niet hoeft te betalen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de jaarlijkse bijdrage voor 2023/2024 moet betalen en het door [gedaagde] gevorderde bedrag voor één van de dossiers, in totaal € 1.009,30. [gedaagde] moet ook de rente en buitengerechtelijke incassokosten betalen, maar wel het wettelijk bepaalde tarief.

3. De achtergrond

[gedaagde] is zzp’er in de zorg. Hij werkt in opdracht van ziekenhuizen of huisartsen, maar soms ook rechtstreeks voor een zorgbehoevende. In 2011 zijn partijen voor het eerst met elkaar in contact gekomen. Juresta heeft toen in opdracht van [gedaagde] algemene voorwaarden gemaakt. Later, in 2015, heeft [gedaagde] weer contact gezocht met Juresta. [gedaagde] was bang dat de zorgbehoevenden waar hij rechtstreeks voor werkt, hem niet zouden betalen. Om ervan verzekerd te zijn dat er iemand voor hem klaar zou staan als een klant hem niet zou betalen, heeft hij twee overeenkomsten met Juresta gesloten: een incasso-overeenkomst en een advocatenovereenkomst. De advocatenovereenkomst was bedoeld voor eventueel advieswerk. De incasso-overeenkomst was bedoeld voor het incasseren van facturen van [gedaagde] bij zijn klanten. Voor de overeenkomsten moest [gedaagde] een jaarlijkse bijdrage betalen van € 195,00 (advocatenovereenkomst) en € 365,00 (incasso-overeenkomst). Die bedragen zullen hierna de abonnementskosten worden genoemd. In de incasso-overeenkomst staat een bepaling opgenomen over een vast bedrag, een incasso-provisie, die [gedaagde] zou moeten betalen voor de werkzaamheden van Juresta.

In de incasso-overeenkomst wordt verwezen naar algemene voorwaarden (AV). [gedaagde] zegt dat hij de incasso-overeenkomst alleen wilde aangaan op basis van een ‘no cure no pay’ principe en dat Juresta op basis daarvan de incasso-overeenkomst heeft aangeboden. [gedaagde] gaar er dus van uit dat hij Juresta alleen de incasso-provisie zou hoeven te betalen als een vordering ook echt geïncasseerd zou worden.

Juresta heeft bevestigd dat is afgesproken in principe alleen incasso-provisie verschuldigd is als een vordering daadwerkelijk geïncasseerd wordt en dat zelfs het incassorisico bij Juresta ligt. Maar er zijn uitzonderingen en die staan in de AV. Zo staat in de AV dat [gedaagde] verplichtingen heeft om te voorkomen dat Juresta veel werk moet doen voor een kansloze zaak. Als [gedaagde] zich niet aan deze verplichtingen zou hebben gehouden, dan zou [gedaagde] de incasso-provisie ook moeten betalen als het bedrag niet bij de klant geïncasseerd kon worden en gold het ‘no cure no pay’ principe dus niet. In de overeenkomst is daarnaast opgenomen dat [gedaagde] ook de incasso-provisie moet betalen wanneer [gedaagde] :

zelf, zonder toestemming van en/of overleg met Juresta een vordering regelt, óf

de incassowerkzaamheden belemmert, onder meer door niet (tijdig) te reageren op verzoeken van Juresta en/of de advocaat/incassopartner, óf

de incasso-opdracht intrekt, onder meer door een andere incasseerder of advocaat opdracht te geven dezelfde vordering te incasseren.

Partijen zijn het erover eens dat in de incasso-overeenkomst niets geregeld voor de situatie dat de incasso zelf om bepaalde redenen niet kansrijk is en dus niet wordt opgepakt.

Tijdens de looptijd van de overeenkomsten heeft [gedaagde] maar twee keer gebruik gemaakt van de diensten van Juresta, namelijk voor de klanten [C] en [D] . Deze beide keren heeft Juresta incassowerkzaamheden voor [gedaagde] verricht. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de diensten uit de advocatenovereenkomst.

Tijdens de behandeling van Juresta van dossier [C] bleek het dat mevrouw [C] verhuisd was. Juresta kon niet achter zijn nieuwe woonadres komen. Om die reden is [gedaagde] zelf op onderzoek uit gegaan. [gedaagde] heeft [C] vervolgens kunnen bereiken en [C] heeft rechtstreeks aan [gedaagde] betaald. Hoewel dit dus niet de verdienste was van Juresta, wilde Juresta toch betaling van de door haar verrichte werkzaamheden. Partijen hebben hierover afgesproken dat [gedaagde] niet de gebruikelijke incasso-provisie moest betalen, maar een bedrag van € 907,50 inclusief BTW in termijnen. Dat heeft hij deels gedaan. Van de betalingsregeling is € 307,50 nog niet betaald.

Juresta heeft ook werkzaamheden voor [gedaagde] verricht in het dossier [D] . Zij is namelijk een sommatietraject gestart. Toen echter bleek dat [D] niet wilde betalen, is [gedaagde] geïnformeerd over het starten van een gerechtelijke procedure. Daarbij heeft Juresta gewezen op de risico’s daarvan. Verdere incassowerkzaamheden zijn niet verricht en Juresta heeft het dossier na regelmatige correspondentie met [gedaagde] , gesloten zonder dat [D] betaald heeft.

4. De beoordeling

[gedaagde] moet het nog niet betaalde bedrag van € 307,50 voor dossier [C] betalen en de abonnementskosten voor het jaar 2023/2024 ad € 701,80 inclusief BTW

Zoals in 3.5 genoemd hebben partijen een nadere overeenkomst, een betalingsregeling, gesloten voor de werkzaamheden in dossier [C] . Juresta en [gedaagde] zijn het er over eens dat [gedaagde] in totaal € 907,50 inclusief BTW zou betalen aan Juresta. Hiervan heeft [gedaagde] een bedrag van € 307,50 nog niet betaald. De kantonrechter oordeelt dat hij dat nog moet doen.

[gedaagde] beroept zich echter op verrekening. Hij zegt dat hij abonnementskosten die hij verschuldigd was voor de overeenkomsten die hij heeft gesloten, onverschuldigd heeft betaald (zie punt 3.1.). Volgens hem had hij voor het jaar 2022/2023 namelijk niet hoeven te betalen omdat hij de overeenkomsten vóór die tijd rechtsgeldig had opgezegd. [gedaagde] heeft echter de overeenkomsten niet op tijd opgezegd. Het beroep op verrekening slaagt dus niet. De kantonrechter licht dit als volgt toe.

In zowel de incasso-overeenkomst als de advocatenovereenkomst staat dat de overeenkomsten jaarlijks, uiterlijk twee maanden voor de expiratiedatum (bij beide 26-03), opgezegd kunnen worden en dat dit per aangetekende brief moet gebeuren. [gedaagde] zegt dat hij begin 2022 telefonisch contact heeft opgenomen met Juresta om de overeenkomsten op te zeggen. Ook heeft hij op 26 februari 2023 een mail gestuurd waarin hij zegt niet met Juresta verder te willen. De telefonische opzegging (die overigens wordt betwist) voldoet niet aan de eisen. De e-mail die [gedaagde] heeft gestuurd was te laat, omdat in de overeenkomst een opzegtermijn van twee maanden staat.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat Juresta in de te late opzegging heeft berust en er dus ook vanuit ging dat de overeenkomsten door de te late opzegging zijn geëindigd voor het nieuwe jaar 2023/2024. Juresta heeft dit betwist en de kantonrechter kan daarom dit verweer niet volgen. Daarvoor zijn namelijk om de volgende reden onvoldoende aanknopingspunten. Volgens [gedaagde] blijkt uit de correspondentie tussen partijen, bijvoorbeeld de brief van 8 augustus 2022 en de e-mail van 17 maart 2023, dat Juresta er ook vanuit ging dat de samenwerking tussen partijen beëindigd was. Uit de brief van 8 augustus 2022 blijkt dit echter op geen enkele manier. In de e-mail van 1 maart 2023 staat wel dat Juresta dit een vervelend einde zou vinden van ‘een tot voor kort prettige samenwerking’, maar deze e-mail is volgens Juresta een reactie op de opzegging van [gedaagde] van 26 februari 2023 die te laat was gedaan en is qua inhoud niet voldoende om te gelden als een instemming met een voortijdig einde van de samenwerking.

De conclusie is dat [gedaagde] ook de abonnementskosten voor 2022/2023 aan Juresta moest betalen. [gedaagde] heeft dus nog niets onverschuldigd betaald en kan de betaalde jaarbedragen dus niet verrekenen met het resterende deel van de betalingsregeling voor dossier [C] . Daarnaast moet [gedaagde] de abonnementskosten voor het jaar 2023/2024 ad € 701,80 betalen.

[gedaagde] hoeft niet te betalen voor dossier [D]

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet hoeft te betalen voor de werkzaamheden die Juresta heeft verricht voor dossier [D] . Juresta vordert voor dit dossier de incasso-provisie van € 2.991,18. Tijdens het incassotraject voor dossier [D] heeft Juresta meerdere brieven naar [gedaagde] gestuurd. [D] wilde echter niet betalen. Juresta en [gedaagde] hebben toen overlegd over het starten van een gerechtelijke procedure. Juresta wilde echter wel dat [gedaagde] vóór het starten van de gerechtelijke procedure, een ‘depot’ zou betalen van € 929,50, omdat zij wist dat [gedaagde] krap bij kas zat. [gedaagde] kon dit echter niet betalen, waarop het dossier na veel correspondentie tussen Juresta en [gedaagde] uiteindelijk door Juresta gesloten werd. Juresta zegt dat het dossier door toedoen van [gedaagde] werd gesloten en dat [gedaagde] daarom de incasso-provisie moet betalen.

Zoals in 3.2 besproken is, was het uitgangspunt van de incasso-overeenkomst tussen partijen dat [gedaagde] alleen zou betalen wanneer er door Juresta resultaat zou worden behaald. In dit geval is er door Juresta geen resultaat behaald. Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel niet zou hoeven te betalen, totdat Juresta de vordering had geïncasseerd. Hier is door partijen in de overeenkomst één uitzondering op gemaakt. Wanneer [gedaagde] niet aan de regels uit de algemene voorwaarden voldeed, had Juresta te allen tijde het recht om de incassoprovisie en andere gemaakte kosten bij [gedaagde] in rekening te brengen, ook wanneer het bedrag (nog) niet bij de klant van [gedaagde] geïncasseerd was. Van deze situatie is hier echter geen sprake. Juresta heeft niet gesteld dat [gedaagde] niet zou hebben voldaan aan de regels uit de algemene voorwaarden en dat is ook niet gebleken.

Dat betekent dat er sprake was van een situatie die kennelijk niet geregeld is in de incasso-overeenkomst: Juresta wilde niet ‘no cure no pay’ aan de slag, terwijl de enige uitzondering op grond waarvan zij dit zou kunnen weigeren, niet van toepassing was. Er is dus een zogeheten ‘leemte’, een gat, in de overeenkomst. Wanneer er contractueel niets is geregeld tussen partijen, moet de kantonrechter terugvallen op de wet. Het is daarom de vraag of de wet hier een basis biedt op grond waarvan [gedaagde] aan Juresta als opdrachtnemer een vergoeding moet betalen voor de werkzaamheden die Juresta heeft verricht en/of er een andere contractuele grondslag is voor betaling van de gevorderde tegenprestatie.

Uitgangspunt in de wet is dat een opdrachtgever een opdrachtnemer een redelijk loon moet betalen voor de werkzaamheden die de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep uitvoert, als er in de overeenkomst zelf niets is afgesproken over een tegenprestatie. De vraag is of in dit geval een redelijk loon verschuldigd is voor de verrichte werkzaamheden, indachtig wat partijen overigens zijn overeengekomen. Bij de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de jaarlijkse abonnementskosten die [gedaagde] sinds 2015 heeft betaald waren bedoeld als buffer voor werkzaamheden die werden verricht en niet vanuit het incasso-traject zelf konden worden betaald als de vordering oninbaar bleek. In die zin heeft Juresta dus een basis tegenprestatie voor de door haar te verrichten werkzaamheden bedongen en verkregen, zonder dat daar inspanningen tegenover hebben gestaan. Dat is te rechtvaardigen omdat de bedoeling van de overeenkomsten was dat Juresta het incassorisico zou dragen voor oninbare vorderingen. Maar dat is niet te rechtvaardigen als Juresta dat incassorisico feitelijk niet wenst te dragen, zoals in het geval van [D] . Dan wordt namelijk twee keer een tegenprestatie bedongen, zonder dat bij het sluiten van de overeenkomst duidelijk is uitgelegd dat [gedaagde] ook de genoemde provisie verschuldigd zou zijn als Juresta niet op basis van no cure no pay te gaan procederen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] in het geval van [D] in beginsel geen ander redelijk loon verschuldigd was dan de door hem betaalde abonnementskosten.

Juresta heeft gezegd dat er nog een uitzondering op de ‘no cure no pay’ regel is in de incasso-overeenkomst, namelijk dat [gedaagde] ook de incasso-provisie zou moeten betalen wanneer hij de incassowerkzaamheden belemmert, hij de vordering zelf regelt of hij de incasso-opdracht intrekt. Van deze derde situatie is volgens Juresta sprake: [gedaagde] heeft namelijk de incasso-opdracht ingetrokken en aangekondigd zijn rechtsbijstandsverzekeraar de incasso te laten doen (die dat overigens niet heeft gedaan, er zijn geen incassowerkzaamheden door derden uitgevoerd en de betreffende vordering is nog steeds niet geïncasseerd). De kantonrechter acht een beroep op de betreffende bepaling, op deze manier uitgelegd door Juresta, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [gedaagde] stond namelijk met zijn rug tegen de muur: Juresta wilde niet conform afspraak diensten verlenen zonder daarvoor een tegenprestatie te verlangen en [gedaagde] kon het bedrag dat Juresta van hem vroeg niet betalen. [gedaagde] had in dit geval geen andere optie dan de incasso-opdracht in te trekken.

[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen

[gedaagde] heeft de afgesproken kosten voor dossier [C] en de jaarbijdrage voor 2023/2024 te laat betaald en moet daarom rente over deze bedragen betalen. Juresta wil dat [gedaagde] rente van 2% cumulatief per maand betaalt. Dit rentepercentage is vastgelegd in een beding in de advocatenovereenkomst en incasso-overeenkomst. Juresta vordert deze rente vanaf 9 april 2023 (jaarlijkse bijdrage) respectievelijk 15 september 2021 (dossier [C] ). [gedaagde] vraagt het rentbeding te vernietigen, dan wel de rente, die als een verkapt boetebeding moet worden gezien, te matigen.

De kantonrechter zal dit beding niet vernietigen. Het enkele feit dat de rente veel hoger is dan wat op grond van de wet toegekend zou worden, maakt namelijk nog niet dat het rentebeding onredelijk bezwarend is. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval wel reden om de rente te matigen tot het bedrag van de wettelijke rente. Het beding kan namelijk aangemerkt worden als boetebeding, omdat het vanwege de rente op rente berekening enorme gevolgen heeft op de hoogte van de vordering. Als deze boeterente wordt toegepast, zal dit zulke buitenproportionele gevolgen hebben, en het is duidelijk dat dit niet billijk zou zijn. De kantonrechter licht die toe als volgt.

Het toe te wijzen deel van de vordering maakt onderdeel uit van een substantieel hogere vordering die Juresta heeft ingesteld en is daaraan min of meer ondergeschikt geraakt. Behalve het bedrag in hoofdsom dat Juresta vorderde voor de zaak [D] , werd namelijk ook aanspraak gemaakt op rente over rente voor deze zaak. De vordering liep daarmee op tot € 8.527,33 op het moment van de wijziging van eis. Wat voor de abonnementskosten verschuldigd was raakte daardoor volledig uit beeld. Bovendien wordt in deze procedure zonder nadere toelichting ook rente over rente berekend in de kwestie [C] , terwijl voor die kwestie een betalingsregeling was getroffen. De kwestie [D] heeft dus door toedoen van Juresta een eerlijke betalingsregeling gefrustreerd, die deels al overeengekomen was. [gedaagde] wordt dus feitelijk gestraft doordat hij terecht niet wilde betalen voor incassowerkzaamheden in de zaak [D] en dit geschil aan de rechter wilde voorleggen. De rente over de nog verschuldigde abonnementskosten en de zaak [C] komen namelijk al uit op € 970,42 tot het moment van dagvaarden. Dat is evident oneerlijk. De kantonrechter matigt daarom de door Juresta gevorderde rente tot de hoogte van de wettelijke rente. Deze wordt voor de jaarlijkse bijdrage van 2023/2024 toegewezen vanaf 9 april 2023 en voor dossier [C] vanaf 15 september 2021.

[gedaagde] moet € 151,40 aan buitengerechtelijke incassokosten aan Juresta betalen

Juresta vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.305,84. Dit bedrag heeft zij gebaseerd op wat partijen samen zijn overeengekomen, namelijk dat Juresta 15% van de hoofdsom als incassokosten in rekening mag brengen. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De door Juresta gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Maar, Juresta vordert de incassokosten op basis van het door haar gevorderde bedrag. Omdat niet de hele hoofdsom van Juresta wordt toegewezen, zal de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten matigen tot het bedrag dat past bij de toegewezen hoofdsom. Dit betekent dat [gedaagde] € 151,40 (€ 1.009,30 x 15%) aan buitengerechtelijke kosten aan Juresta moet betalen.

De proceskosten worden gecompenseerd

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door Juresta. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan Juresta te betalen een bedrag van € 1.009,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 701,80 met ingang van 9 april 2023 en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 307,50 bedrag, met ingang van 15 september 2021, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan Juresta te betalen een bedrag van € 151,40 aan buitengerechtelijke kosten,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

62938

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?