RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11620853 \ UC EXPL 25-2759 RvdH/1037
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd en kantoorhoudende in [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.M. Rietveld van DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door de heer [gemachtigde] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 3, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 4 en 5,
- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] heeft de mondelinge behandeling via Teams bijgewoond en zijn gemachtigde was samen met de heren [familienaam] ( [gemachtigde] en zijn vader) aanwezig in de zittingszaal.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De kern van de zaak
[eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [eiser] een website voor [gedaagde] bouwt en dat [gedaagde] daarvoor in twee termijnen betaalt. Bij aanvang van de opdracht heeft [gedaagde] de eerste termijn van 50% betaald. [eiser] heeft op 26 oktober 2024 de overeenkomst beëindigd, omdat [gedaagde] hem niet voorzag in de gegevens die hij nodig had om de website af te bouwen. [eiser] heeft de website niet opgeleverd, maar de kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] wel de tweede termijn van 50% moet betalen. De tegeneis van [gedaagde] wordt afgewezen.
3. De beoordeling
in conventie
De afspraken tussen [eiser] en [gedaagde]
Partijen zijn het erover eens dat zij op 6 mei 2023 zijn overeengekomen dat [eiser] een website bouwt voor [gedaagde] tegen betaling door [gedaagde] van € 7.260,00. De helft van dat bedrag was een aanbetaling bij aanvang de opdracht en de tweede helft zou in beginsel verschuldigd zijn bij oplevering van de website. Er is in de overeenkomst een verwachte datum voor afronding genoemd (29 augustus 2023) maar dat is geen fatale oplevertermijn: er is een voorbehoud gemaakt dat de opleverdatum afhankelijk is van de input van de opdrachtgever, in dit geval [gedaagde] .
De algemene voorwaarden van [gedaagde] (destijds: [bedrijf 1] ) zijn van toepassing verklaard op de overeenkomst tussen partijen. [eiser] kan een beroep op doen op deze voorwaarden, ondanks dat in de overeenkomst andere betaalafspraken zijn gemaakt. In artikel 4 van de algemene voorwaarden staat namelijk een regeling voor de specifieke situatie waarin [eiser] de overeenkomst ontbindt. De afspraak dat de tweede termijn pas na lancering van de website hoeft te worden betaald, geldt dan niet. In artikel 4 van de algemene voorwaarden staat dat [eiser] het recht heeft om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, als de opdrachtgever (in dit geval: [gedaagde] ) na een verzoek daartoe nalaat om de verzochte gegevens te verstrekken, of een andere voorwaarde uit de overeenkomst niet nakomt.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] op 26 oktober 2024 de overeenkomst voortijdig heeft beëindigd. De vraag is of [gedaagde] nu de tweede helft van de overeengekomen prijs voor de bouw van de website moet betalen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend, omdat [eiser] de overeenkomst mocht beëindigen en [gedaagde] dan op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden verplicht is om de opdracht volledig te betalen.
[gedaagde] verleende onvoldoende medewerking aan de uitvoering van de overeenkomst
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende medewerking heeft verleend aan de bouw van de website door niet of onvoldoende te reageren op de verzoeken van [eiser] om gegevens. Hierna wordt uitgelegd waaruit dit blijkt.
[gedaagde] betwist op zichzelf niet dat zij niet steeds aan de verzoeken om input van [eiser] heeft voldaan. [gedaagde] noemt daarbij wel dat zij bij het aangaan van de overeenkomst niet had verwacht dat zij ineens veel content moest leveren, voordat [eiser] verder kon met bouwen. [gedaagde] wilde op de website beginnen met ongeveer 200 producten. Als zij voor al die producten een omschrijving, productdetails en foto’s moest inleveren, zou dat relatief veel tijd kosten. Dat lukte haar niet en dan zou de bouw van de website al die tijd stil liggen. [gedaagde] heeft daarom maar een deel van de content aangeleverd. [gedaagde] stelt nu dat [eiser] het wel door haar ingeleverde deel van de content niet goed heeft verwerkt, maar zij heeft daarvan geen onderbouwing overgelegd. Ook heeft zij – ondanks herhaalde verzoeken van [eiser] – niet meer gereageerd op de verzoeken van [eiser] om feedback op het verwerken van de content.
[eiser] heeft een overzicht gemaakt van het verloop van de samenwerking en [gedaagde] heeft de inhoud van dat overzicht niet betwist. Uit het overzicht blijkt het volgende.
In de eerste periode van de opdracht moet [eiser] meerdere keren de vraag herhalen wanneer hij feedback krijgt (11 juli 2023, 10 en 15 augustus 2023 en 4 september 2023).
Daarna geeft [eiser] op 10 oktober 2023 aan dat de website technisch klaar is, maar dat content en een productimportlijst nodig zijn. [eiser] krijgt geen reactie en vraagt op 18 oktober 2023 om een update. Op 8 november 2023 ontvangt hij de eerste productimportlijst. Op 15 december 2023 ontvangt [eiser] het logo en de handelsnaam en op 7 februari 2024 ontvangt [eiser] via Whatsapp weer wat content. Intussen heeft [eiser] gevraagd om feedback en heeft hij een aantal producten kunnen importeren.
Vervolgens geeft [eiser] op 29 februari 2024 aan dat er geen input of reactie komt en dat het project een andere prioriteit krijgt als de gegevens niet voor 15 april worden aangeleverd. De heer [gemachtigde] vraagt om een meeting, maar [eiser] geeft dan aan dat alle informatie al is besproken en te verkrijgen is bij zijn collega’s. Op 15 maart 2024 vraagt [eiser] om een update: de heer [gemachtigde] zegt dat ze werken aan een importlijst.
Op 27 maart 2024 ontvangt [eiser] de importlijst. Op 1 april 2024 heeft [eiser] de producten geïmporteerd en op 15 april 2024 vraagt hij om feedback. Hierna hebben partijen op 17 april 2024 een vergadering over de website. Dan is het even stil.
Op 2 september 2024 spreekt [eiser] met de heer [A] een nieuwe deadline af voor het aanleveren van de content (1 oktober 2024), als die datum niet wordt gehaald zal het project worden stopgezet. Op 2 oktober 2024 ontvangt [eiser] de content en verwerkt hij die direct. Hij vraagt dan om feedback. Die vraagt herhaalt hij op 7 en 9 oktober 2024. Op 10 oktober 2024 ontvangt [eiser] een spraakbericht dat het team (de kantonrechter begrijpt: van [gedaagde] ) op 11 oktober zou vergaderen. [eiser] geeft hierna aan dat hij uiterlijk tot 25 oktober 2024 wacht op feedback. Op 26 oktober 2024 heeft [eiser] nog steeds geen reactie ontvangen, beëindigt hij de overeenkomst en verstuurt hij de eindfactuur.
[gedaagde] stelt dat [eiser] zelf het tijdspad in artikel 3.2 van de overeenkomst (ook) niet heeft gevolgd. Uit het overzicht is echter op te maken dat voorafgaand aan de in het tijdspad benoemde oplevermomenten met name vertraging wordt veroorzaakt doordat [eiser] herhaaldelijk [gedaagde] moet vragen om een reactie.
[eiser] heeft daarnaast een Whatsapp bericht overgelegd van 15 maart 2024 van de eigenaar van [gedaagde] (de heer [B] ) waarin hij typt dat zij (de kantonrechter begrijpt: het team van [gedaagde] ) zich ervan bewust zijn dat de vertragingen in het project door [gedaagde] zijn veroorzaakt en dat zij moeite doen om het probleem op te lossen. Ook typt [B] dat ze om de tafel kunnen als [eiser] het project wil beëindigen en dat zij het anders op basis van wederzijds begrip tot een goed resultaat laten komen. [B] typt dat het project met [eiser] [gedaagde] niet belemmert om andere projecten aan te nemen en dat zij op dit moment niets doen aan dit project. [gedaagde] heeft de inhoud van (de vertaling van) dit bericht niet betwist.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ook nog besproken dat [eiser] aanvankelijk vooral met de heer [gemachtigde] werkte, maar dat hij op een bepaald moment minder beschikbaar was. Toen nam zijn zakenpartner [C] het over. Dat verliep niet goed. Vervolgens kwam de vader van de heer [familienaam] in beeld om het project over te nemen. Maar ook onder zijn leiding leverde [gedaagde] niet steeds (tijdig) de gevraagde gegevens.
[eiser] mocht de overeenkomst beëindigen
Uit het voorgaande volgt dat het project moeizaam is verlopen en dat (de interne organisatie bij) [gedaagde] daar debet aan is. [eiser] heeft [gedaagde] herhaaldelijk gevraagd om de nodige gegevens aan te leveren. In het begin van het project volgde er dan delen van de gegevens, maar meestal pas nadat [eiser] [gedaagde] aan zijn verzoek moest herinneren. Aan het einde van het project, in oktober 2024, reageerde [gedaagde] geheel niet meer op de verzoeken van [eiser] . [eiser] heeft toegelicht dat hij niet langer tijd wilde reserveren voor de opdracht van [gedaagde] , omdat hij ruimte wilde voor andere projecten. De opdracht voor [gedaagde] heeft ongebruikelijk lang geduurd volgens [eiser] en [gedaagde] heeft dat niet betwist.
De kantonrechter oordeelt dat het onder al deze omstandigheden gerechtvaardigd was dat [eiser] de overeenkomst op 26 oktober 2024 heeft beëindigd.
[gedaagde] moet [eiser] € 3.630,00 plus de wettelijke handelsrente betalen
Op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden is [eiser] in dit geval gerechtigd om volledige betaling van [gedaagde] te vorderen. Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel de tweede termijn van 50% (€ 3.630,00) aan [eiser] moet betalen.
[gedaagde] stelt echter dat de vordering van [eiser] moet worden verminderd met € 605,00 omdat dat bedrag op 31 juli 2023 aan [eiser] is betaald. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet, omdat niet blijkt dat de betaling zag op de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] waar het in deze procedure om gaat. Hierbij is het volgende relevant:
Het bedrag is niet overgemaakt door [gedaagde] , maar door ‘ [bedrijf 2] bv’.
De omschrijving bij de betaling verwijst naar een factuur die in deze procedure niet is overgelegd, maar waarin volgens beide partijen is omschreven dat die ziet op ‘werkzaamheden website’. Om welke website het dan gaat, is niet duidelijk.
Op het moment van de betaling (31 juli 2023) rustte er geen opeisbare betalingsverplichting op [gedaagde] : [gedaagde] had de eerste termijn van 50% betaald op 6 juni 2023 en de tweede termijn zou pas opeisbaar zijn bij oplevering, dan wel bij een voortijdige beëindiging. Daarvan was op 31 juli 2023 nog geen sprake.
Een en ander leidt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.630,00 aan [eiser] . Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, is zij ook de wettelijke handelsrente verschuldigd over dat bedrag vanaf 7 maart 2025 tot de voldoening en de tot die datum verschenen wettelijke handelsrente ter hoogte van € 63,35.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 40,00
[eiser] vordert ook een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 488,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is gedaagde in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.053,40
in reconventie
De tegeneis van [gedaagde] wordt afgewezen
[gedaagde] heeft in reconventie gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om een website te leveren, dat de kantonrechter de overeenkomst ontbindt en [eiser] veroordeelt tot betaling van € 4.235,00 (de aanbetaling plus de door [gedaagde] gestelde betaling van € 605,00).
De kantonrechter overweegt dat ontbinding in de eerste plaats niet mogelijk is, omdat [eiser] de overeenkomst op 26 oktober 2024 heeft beëindigd. Vast staat dat [eiser] geen werkende website aan [gedaagde] heeft geleverd, maar [eiser] is daartoe ook niet meer verplicht omdat de overeenkomst is beëindigd. [gedaagde] stelt dat [eiser] is tekortgeschoten, maar heeft hieraan (voor het einde van de overeenkomst) geen rechtgevolg verbonden. De vorderingen van [gedaagde] worden daarom afgewezen.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat [eiser] bovendien voldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij is tekortgeschoten en daarbij is het volgende relevant.
[gedaagde] heeft – kort gezegd – aangevoerd dat [eiser] geen goed werk heeft geleverd.
[gedaagde] stelt dat de website niet is opgeleverd, niet functioneert en technisch gezien niet deugt. [gedaagde] noemt daarbij dat het logo geen functionele link naar de homepage heeft, dat de navigatiemenu’s niet functioneel zijn gekoppeld, dat de betaalmethode ontbreekt, dat het contactformulier niet functioneert en dat de mobiele weergave visuele inconsistenties en een onjuist positie van elementen toont. Volgens [gedaagde] is het niet mogelijk om de website als klant te gebruiken. [gedaagde] heeft informatie en advies ingewonnen bij andere ICT-specialisten en zij hebben verklaard dat de (technische) opbouw van de website zodanig is, dat zij die niet verder kunnen afbouwen. [gedaagde] stelt dat [eiser] geen maatwerk, maar een standaardopbouw met standaardinstellingen heeft geleverd en dat [eiser] minimale tijd aan de website heeft besteed. [gedaagde] heeft geen onderbouwing van deze stellingen overgelegd. Daar komt bij dat [eiser] de stellingen van [gedaagde] voldoende heeft weersproken. [eiser] heeft uitgelegd dat de website technisch nagenoeg af is, maar dat de bouw niet kon worden afgerond door het ontbreken van input en feedback door [gedaagde] . Het klopt dat de website niet functioneel is, dat er geen bestelling kan worden geplaatst en dat de betaalmethode ontbreekt. De oorzaak daarvan is gelegen in het feit dat de website nog in een development omgeving staat. Daarom is de website ook nog niet vindbaar op het internet. De koppelingen voor de genoemde functionaliteiten gaan werken als de website wordt opgeleverd en niet langer in een development omgeving staat.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
271,00
(2 punten × factor 0,5 × € 271,00)
Totaal
€
271,00
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling geprobeerd tot een oplossing te komen
De kantonrechter overweegt ten overvloede het volgende. Dat [gedaagde] nu niets kan met de website, komt door het feit dat de overeenkomst voortijdig (voor de oplevering) is beëindigd. Op [eiser] rust juridisch gezien niet de verplichting om de website op te leveren, maar in het kader van een eventuele minnelijke regeling heeft [eiser] aangeboden de website op te leveren in de stand waarin die zich nu bevindt. [gedaagde] kan dan gebruik maken van wat er is dan wel de website (door een derde) laten af- of uitbouwen. Zij kunnen zelf de content invoeren. Gezien de uitkomst van deze procedure geeft de kantonrechter [eiser] in overweging om alsnog gevolg te geven aan zijn aanbod, ter afwikkeling van de zakelijke relatie tussen partijen.
in conventie en in reconventie
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.693,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.630,00, met ingang van 7 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.053,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 271,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1, 4.2, 4.3 en 4.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.