RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11705148 \ UC EXPL 25-4320 RvdH/1037
Vonnis van 3 september 2025
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam 1],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam 1] ,
gemachtigde: Micta BV,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4, - het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 21 mei 2025 aan te merken als de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De beoordeling
De kern van deze zaak
[handelsnaam 1] ontwikkelt en onderhoudt websites. [gedaagde] heeft een hoveniersbedrijf. Partijen hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan [handelsnaam 1] een website voor [gedaagde] zou verzorgen. [gedaagde] was daarvoor een maandelijkse vergoeding verschuldigd, maar die heeft hij niet betaald. [handelsnaam 1] vordert in deze procedure betaling van de vergoeding, te vermeerderen met rente en kosten. De kantonrechter wijst de vorderingen van [handelsnaam 1] toe.
[gedaagde] moet de facturen van [handelsnaam 1] betalen
Op 25 november 2024 heeft [gedaagde] een ‘support overeenkomst’ voor een website getekend. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [handelsnaam 1] van toepassing. Het betreft een overeenkomst voor de duur van 24 maanden tegen een betaling van € 79,95 exclusief btw (€ 96,74 inclusief btw) per maand. [gedaagde] wil de facturen niet betalen, omdat [handelsnaam 1] de mondelinge toezegging om zijn website beter vindbaar te maken, niet is nagekomen. [gedaagde] vindt dat [handelsnaam 1] ondeugdelijk heeft gepresteerd. Ook zou [handelsnaam 1] zijn website offline hebben gehaald.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] niet tevreden is over (het resultaat van) de werkzaamheden van [handelsnaam 1] leidt er niet automatisch toe dat [gedaagde] [handelsnaam 1] niet hoeft te betalen. Als [gedaagde] had gevonden dat [handelsnaam 1] haar verplichtingen niet was nagekomen had het op zijn weg gelegen om [handelsnaam 1] aan te manen om binnen een bepaalde termijn alsnog zijn verplichtingen na te komen. Als [handelsnaam 1] dat dat niet gedaan had, was zij ‘in verzuim’ geraakt. Als dat was gebeurd, had [gedaagde] het recht gekregen om de overeenkomst te ontbinden. Dat heeft [gedaagde] allemaal niet gedaan. Uit de verklaring van [gedaagde] op de zitting van 21 mei 2025 begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] er juist niet voor gekozen heeft de overeenkomst te ontbinden. Alleen al daarom moet het ervoor gehouden worden dat de overeenkomst is blijven bestaan, en [gedaagde] zijn uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen moet nakomen.
Helemaal los van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] zijn stellingen geheel niet heeft onderbouwd. [handelsnaam 1] betwist bovendien het bestaan van een concrete mondelinge afspraak ten aanzien van de vindbaarheid van de website die afwijkt van wat in de schriftelijke overeenkomst staat. [handelsnaam 1] heeft verder toegelicht dat de website van [gedaagde] online staat en vindbaar is via Google. Bij toepassing van verschillende zoektermen verschijnt de website van [gedaagde] als vijfde of zesde resultaat op de eerste pagina van Google. Dat betekent volgens [handelsnaam 1] dat de website goed is ontwikkeld en dat die door zoekmachine optimalisatie meer dan uitstekend vindbaar is op Google. Deze concrete resultaten heeft [gedaagde] niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat wat [handelsnaam 1] daarover heeft gesteld juist is.
[gedaagde] moet zijn betalingsverplichting uit de overeenkomst daarom nakomen. Het merendeel van de facturen ziet op de lopende termijnen tot en met april 2025. De laatste factuur, van 13 april 2025, ziet op de periode april 2025 tot 24 november 2026. Dit is de resterende looptijd van de overeenkomst. De omschrijving op de factuur luidt: ‘Openstaande termijnen met betrekking tot beëindiging van de overeenkomst’. De kantonrechter begrijpt daaruit dat [handelsnaam 1] op enig moment de overeenkomst heeft beëindigd en (overeenkomstig artikel 9 lid 8 van de overgelegde algemene voorwaarden) het resterende bedrag heeft opgeëist. [gedaagde] heeft daartegen verder ook geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag daarom toewijzen.
[gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 2.321,75, aan [handelsnaam 1] . Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. De tot de dagvaarding verschenen rente bedraagt € 17,14. Daarnaast wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dagvaarding tot de voldoening.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[handelsnaam 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
De door [handelsnaam 1] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-) kosten ter hoogte van € 348,26 zal worden toegewezen, nu [gedaagde] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet heeft betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot verdere matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
972,78
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 2.338,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.321,75, met ingang van 6 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 348,26 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 972,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.