RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11560902 \ UC EXPL 25-1547 RvdH/1027
Vonnis van 27 augustus 2025
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 1],
wonende in [woonplaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser sub 2] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,3. [eiser sub 3],
wonende in [woonplaats 2] ,4. [eiser sub 4] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende in [woonplaats 3] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiseres c.s.] . (in vrouwelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. F.E. de Neef,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: J. Trappenburg (Stichting Achmea Rechtsbijstand).
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties A tot en met H(1), - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte tot wijziging van eis in conventie,
- de akte overlegging productie H(2) van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 28 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De kern van deze zaak
Een groep acteurs ( [eiseres c.s.] .) heeft met productiebedrijf [gedaagde] een overeenkomst van opdracht gesloten. [eiseres c.s.] . zou op basis van die overeenkomst het acteerwerk verzorgen tijdens een moordweekend van 27 tot en met 29 september 2024 in een hotel. Omdat [gedaagde] het hotel niet had betaald, dreigde het hotel op de eerste avond van het moordweekend te stoppen met de dienstverlening op haar locatie. Er is toen onrust ontstaan, omdat de bestuurder van [gedaagde] ( [bestuurder] ) niet direct kon worden bereikt. Nadat er contact was tussen het hotel en [bestuurder] is er namens [gedaagde] een deelbetaling gedaan. De acteurs hebben die avond aan de gasten medegedeeld dat het moordweekend niet meer doorging en zijn vertrokken. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een bedrag gelijk aan het overeengekomen loon van [eiseres c.s.] . aan haar moet betalen. [gedaagde] vordert vergoeding van de schade die zij heeft geleden door het voortijdig eindigen van het weekend, maar die vordering wijst de kantonrechter af.
3. De beoordeling
in conventie en in reconventie
De dagvaarding is niet nietig
[gedaagde] voert aan dat [eiseres c.s.] . niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht als bedoeld in artikel 111 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Dat in de dagvaarding niet is gemeld dat van [eiseres c.s.] . werd verwacht dat zij zelfstandig productie zou draaien is niet relevant voor de beoordeling. Of [gedaagde] al dan niet herhaaldelijk en op meerdere manieren contact heeft gezocht met [eiseres c.s.] . om het moordweekend door te laten gaan, is een punt van geschil tussen partijen en daardoor kan [eiseres c.s.] . niet worden tegengeworpen dat zij dit niet als feit in haar dagvaarding heeft genoemd. Datzelfde geldt voor de stelling van [eiseres c.s.] . over de afstemming tussen [gedaagde] en het hotel, die volgens [gedaagde] onjuist zou zijn.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres c.s.] . geen voor de beslissing van belang zijnde feiten in strijd met de waarheid heeft aangevoerd of heeft achtergehouden. [eiseres c.s.] . heeft de (tot dan) door [gedaagde] aangevoerde verweren gemeld in de dagvaarding. De details waarnaar [gedaagde] verwijst zijn, zoals overwogen, geschilpunten. De dagvaarding is daarom niet nietig.
De achtergrond: de organisatie van het moordweekend
Bij de organisatie van het moordweekend zijn [gedaagde] , [eiseres c.s.] . en het hotel betrokken. In het weekend van 27 tot en met 29 september 2024 zou een zogenaamd moordweekend plaatsvinden, georganiseerd door [gedaagde] voor klanten van haar. Het moordweekend zou plaatsvinden in een hotel. Daarvoor heeft [gedaagde] een reservering gemaakt bij het hotel voor twee overnachtingen inclusief twee keer diner, twee keer ontbijt en twee keer lunch. [gedaagde] was verantwoordelijk voor betaling van de kosten van het hotel. Het moordweekend zou in het hotel worden ‘gedraaid’ door [eiseres c.s.] . [eiseres c.s.] . was verantwoordelijk voor de opbouw van het spel in het hotel, ontvangst van de gasten en het spel volgens het draaiboek. [gedaagde] had zich verbonden tot betaling van loon en reiskostenvergoeding aan [eiseres c.s.] .
in conventie
De overeenkomst tussen partijen is buitengerechtelijk ontbonden
[gedaagde] is (toerekenbaar) tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] voorafgaand aan het moordweekend geen (aan)betaling aan het hotel heeft gedaan. Ook na de betalingsverzoeken en aanmaningen van het hotel kort voor het weekend (op 23 september 2024 en op 27 september 2024 om 11.02 uur) heeft [gedaagde] niet betaald. Dat [bestuurder] naar eigen zeggen in die week geen aandacht heeft besteed aan de bedrijfsvoering, is een omstandigheid die voor rekening van [gedaagde] blijft.
Doordat [gedaagde] het hotel niet op tijd heeft betaald, heeft zij verhinderd dat voor [eiseres c.s.] . een locatie beschikbaar was waar zij kon en mocht spelen. Het hotel dreigde immers aan het begin van de eerste avond van het moordweekend te stoppen met het faciliteren daarvan, omdat zij betaling door [gedaagde] eiste. [eiseres c.s.] . werd op dat moment belet haar werkzaamheden te verrichten. Aanvankelijk ging het om uitstel van het spel, maar uiteindelijk heeft het spel geheel geen doorgang kunnen vinden.
[gedaagde] heeft gesteld dat het einde van het moordweekend te wijten is aan de omstandigheid dat [eiseres c.s.] . aan de gasten heeft verteld dat het weekend niet meer doorging. [gedaagde] heeft ook gesteld dat het hotel bereid was om ná een aanbetaling van € 4.000,00 ( [gedaagde] betaalde € 4.500,00) het moordweekend te faciliteren zoals gepland, maar de kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet.
[gedaagde] onderbouwt haar stellingen met een schriftelijke verklaring van de schoonmoeder van [bestuurder] ( [A] ). Zij was aanwezig toen [bestuurder] telefonisch overleg had met de manager van het hotel en zij kon het gesprek meeluisteren omdat de telefoon van [bestuurder] op de luidspreker stond. [A] verklaart:
‘Ik ben bij hem gebleven terwijl de locatie belde voor tekst en uitleg. [...] Hij (de rechter begrijpt: [bestuurder] ) deelde met mij dat er paniek was onder de acteurs, omdat de locatie een aanbetaling eiste. Kort daarna verrichtte [B] , uit privé middelen, aan aanbetaling van €4.000. Na betaling belde hij direct de locatie om bevestiging te krijgen. Ook dit gesprek stond op luidspreker. [B] had op zijn scherm de bankgegevens staan. De locatie bevestigde de ontvangst en gaf aan dat het evenement kon doorgaan en ze direct gingen starten met het serveren van het eerste gerecht.’
en
‘Later die avond werd [B] gebeld door een gast van het evenement. Deze vroeg of het evenement nog doorging. [...] [B] zette de telefoon op luidspreker, zodat ik kon meeluisteren. De locatie bevestigde telefonisch dat zij ook verbaasd waren over het vertrek van de acteurs.’.
Het is niet duidelijk wat [A] met ‘het evenement’ bedoelt. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat de gasten na de aanbetaling in ieder geval één avond mochten blijven dineren en overnachten. Dat de locatie zou hebben bevestigd dat zij ook verbaasd waren over het vertrek van de acteurs, past niet bij de verklaring van de schoonmoeder van [bestuurder] dat dit zou zijn meegedeeld door een gast van het evenement die vroeg of het evenement nog door ging. De verklaring past bovendien ook niet bij de verklaring die door de manager van het hotel ( [manager] ) akkoord is bevonden. Deze verklaring heeft [eiseres c.s.] . verstrekt. De kantonrechter kent meer gewicht toe aan die laatste verklaring, omdat die is geaccordeerd door een persoon die onafhankelijk is ten opzichte van de partijen en die zelf aanwezig was bij het maken van de afspraken op de bewuste avond.
In de verklaring die [manager] heeft geaccordeerd staat:
‘Door het uitblijven van de aanbetaling en het onbereikbaar zijn en blijven van [gedaagde] Events werd een goede afloop niet meer vertrouwd. Jullie hebben [C] laten weten dat er geen drankjes meer zouden worden geserveerd totdat er volledig betaald zou zijn.’
en
‘Op het moment dat duidelijk werd dat [B] slechts een deel van het beloofde voorschotbedrag zou kunnen overmaken hebben jullie toegezegd het diner uit te serveren zodra dit bedrag zou zijn ontvangen. Dat het moordweekend na ontvangst van de beloofde € 4000,- weer alsnog opgestart zou gaan worden is nooit aan de orde geweest. Jullie [het hotelmanagement, toevoeging kantonrechter] hebben duidelijk te kennen gegeven dat dit bedrag niet voldoende was om de gasten het hele weekend te voorzien van horeca.’.
Uit de verklaring volgt dat het hotelmanagement niet van plan was om medewerking te verlenen aan het doorgaan van het moordweekend na een deelbetaling. Dit is ook in lijn met de volgende Whatsappberichten:
Assistent van [bestuurder] om 20.23 uur: ‘Ik heb begrepen dat er groen licht is.[...]’
[D] om 20.23 uur: ‘Nee, zeker niet.’ en ‘We wordt 4000 overgemaakt zodat de mensen vandaag kunnen eten en slapen’.
Dat [eiseres c.s.] . aan de gasten hebben bericht dat het moordweekend niet door kon gaan, was dus niet de oorzaak van het niet door kunnen gaan van het moordweekend, maar een gevolg van de beslissing van het hotel het spel niet meer te faciliteren, wat het gevolg was van het niet nakomen van afspraken tussen het hotel en [gedaagde] . [gedaagde] heeft het hotel te laat betaald en ook de aanbetaling die zij met spoed op de eerste avond van het moordweekend deed, was niet genoeg om het hotel te bewegen tot het faciliteren van het moordweekend zoals gepland. [gedaagde] heeft daarmee niet de noodzakelijke medewerking verleend aan de verbintenis van [eiseres c.s.] . om acteerprestaties te verrichten. [gedaagde] is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen richting [eiseres c.s.] .
Nakoming door [gedaagde] was blijvend onmogelijk
[gedaagde] kan en kon niet alsnog haar verbintenissen nakomen. De overeenkomst zag immers op de specifieke opdracht in het weekend van 27 september 2024.
[eiseres c.s.] . heeft verder gesteld dat zij haar acteerprestaties niet meer kon verrichten doordat er een negatieve en agressieve sfeer was ontstaan. Gelet op de conclusie hiervoor, blijft een beoordeling van die stelling achterwege.
[eiseres c.s.] . heeft de overeenkomst op 26 november 2024 ontbonden
Bij brief van 26 november 2024 heeft de gemachtigde van [eiseres c.s.] . namens haar de overeenkomst ontbonden en aanspraak gemaakt op de door haar geleden schade. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde verklaard dat [eiseres c.s.] . de betreffende ontbinding intrekt, maar [eiseres c.s.] . heeft geen grondslag of bijzondere omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat de ontbinding als ingetrokken kan worden beschouwd.
[gedaagde] moet een schadevergoeding aan [eiseres c.s.] . betalen
De tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] heeft een grond voor ontbinding van de overeenkomst opgeleverd en dat betekent dat [gedaagde] verplicht is om [eiseres c.s.] . de schade te vergoeden die zij lijdt doordat geen nakoming, maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt..
[eiseres c.s.] . vordert schadevergoeding die bestaat uit een vergoeding van de inkomsten die zijn gederfd doordat het moordweekend niet doorging en van de door haar gemaakte reiskosten. Deze vergoedingen heeft iedere acteur afzonderlijk in rekening gebracht. De kantonrechter oordeelt dat de gederfde inkomsten ter grootte van het overeengekomen loon voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komen. [eiseres c.s.] . had de nodige voorbereidingen voor het moordweekend getroffen, was op tijd aanwezig en had het acteerspel al opgestart op het moment dat door toedoen van [gedaagde] het moordweekend moest stoppen. [eiseres c.s.] . heeft de tijd voor het betreffende moordweekend gereserveerd en zij was na het plotselinge einde daarvan, niet meer in de gelegenheid om ander werk aan te nemen.
[gedaagde] stelt in het algemeen dat zij geen voordeel uit de opdracht heeft genoten en dat aanspraak op een vergoeding van het volledige loon onredelijk zou zijn. [gedaagde] heeft echter geen feiten gesteld die maken dat – in het licht van de voorgaande overwegingen – aanspraak op een vergoeding van de schade, bestaande uit de gederfde inkomsten ter grootte van het overeengekomen loon, door [eiseres c.s.] . naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Als gevolg van het voorgaande wijst de kantonrechter de vorderingen van iedere acteur toe, zoals gevorderd. Daarbij is ten aanzien van de vorderingen van [eiser sub 4] en [eiser sub 3] het volgende in acht genomen.
De facturen van [eiser sub 4] en [eiser sub 3]
Ten aanzien van de vordering van [eiser sub 4] geldt dat een deel van de factuur waarvan zij betaling vordert, ziet op een andere opdracht (€ 185,00 voor een moorddiner). [gedaagde] erkent dat zij dat deel aan [eiser sub 4] moet betalen. Daarom wijst de kantonrechter de gehele vordering van [eiser sub 4] toe.
Het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking ten aanzien van de factuur van [eiser sub 3] slaagt niet. [gedaagde] verwijst in dat kader naar de creditfactuur die namens [eiser sub 3] op 20 november 2024 aan [gedaagde] is verstuurd en stelt dat [eiser sub 3] daarmee heeft willen bevestigen dat hij geen aanspraak meer zou maken op betaling van zijn factuur. Dit is namens [eiser sub 3] betwist. Het versturen van de creditfactuur zou te maken hebben met een algemene werkwijze ter voorkoming van btw-afdracht voor onbetaald gelaten facturen. [gedaagde] had er bovendien van uit moeten gaan dat [eiser sub 3] wél wilde dat zijn factuur werd betaald, omdat de gemachtigde van [eiser sub 3] bij brief van 26 november 2024 (kort na de creditfactuur) al aanspraak maakt op betaling en vervolgens op 14 februari 2025 de dagvaarding aan [gedaagde] laat betekenen.
[gedaagde] heeft geen recht op verrekening met haar vordering in reconventie
In reconventie vordert [gedaagde] schadevergoeding. Deze vordering zal worden afgewezen. Hierna zal worden besproken waarom. Voor de vordering van [eiseres c.s.] . betekent dit dat [gedaagde] geen beroep kan doen op verrekening.
[gedaagde] moet ook de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen
Omdat [gedaagde] de facturen niet tijdig heeft betaald, is zij de wettelijke handelsrente verschuldigd met ingang van dertig dagen na iedere factuurdatum. [gedaagde] heeft deze verzuimdata op zichzelf niet betwist. De kantonrechter wijst de wettelijke handelsrente over de afzonderlijke hoofdsommen toe zoals gevorderd.
[eiseres c.s.] . vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiseres c.s.] . voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten komen overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zullen worden toegewezen als hierna in de beslissing vermeld.
[eiseres c.s.] . is bevrijd van haar verplichtingen richting [gedaagde]
De kantonrechter zal bepalen dat [eiseres c.s.] . van haar verbintenissen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht met betrekking tot het moordweekend van 24 tot en met 27 september 2024 jegens [gedaagde] bevrijd is, zoals door [eiseres c.s.] . gevorderd. De overeenkomst tussen partijen is ontbonden. De wet bepaalt dat het gevolg daarvan is dat partijen bevrijd zijn van de daardoor getroffen verbintenissen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen aan [eiseres c.s.] . De proceskosten van [eiseres c.s.] . worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
Totaal
€
855,35
in reconventie
[eiseres c.s.] . hoeft geen schadevergoeding aan [gedaagde] te betalen
[gedaagde] vordert in reconventie betaling van een schadevergoeding van € 18.110,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst deze vorderingen af. Op grond van de wet kan [gedaagde] schadevergoeding vorderen als [eiseres c.s.] . haar verplichting niet is nagekomen, tenzij de tekortkoming niet aan [gedaagde] . kan worden toegerekend. De wet bepaalt ook dat een tekortkoming niet aan de schuldenaar – in dit geval [eiseres c.s.] . – kan worden toegerekend indien zij niet is te wijten aan haar schuld en ook niet op grond van de wet, een rechtshandeling, of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt.
Doordat [gedaagde] het hotel niet tijdig heeft betaald en het hotel daarom geen medewerking wilde verlenen aan het moordweekend, heeft [gedaagde] [eiseres c.s.] . belet om haar verplichtingen na te komen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het [eiseres c.s.] . niet kan worden toegerekend dat zij haar verbintenis niet is nagekomen en [gedaagde] daarom geen recht heeft op vergoeding van eventuele schade.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
In reconventie is [gedaagde] ook in het ongelijk gesteld, zodat zij ook de kosten in reconventie moet betalen aan [eiseres c.s.] . Omdat de tegeneis van [gedaagde] grotendeels voortvloeit uit het verweer in conventie, wordt de helft van het aantal punten toegekend. Het tarief is afgestemd op de vordering van [gedaagde] . De kosten van [eiseres c.s.] . worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
406,00
(2 punten × € 406,00 × 0,5)
De nakosten in conventie en in reconventie zijn in totaal eenmaal berekend (€ 135,00 plus de kosten van betekening, als genoemd in de beslissing).
4. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres c.s.] te betalen een bedrag van € 854,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling, en € 128,12 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 2] B.V. te betalen een bedrag van € 493,18, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling, en € 73,98 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 3] te betalen een bedrag van € 442,84, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 november 2024, tot de dag van volledige betaling, en € 66,43 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 4] te betalen een bedrag van € 498,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling, en € 90,41 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten,
bepaalt dat [eiseres c.s.] ., ieder voor zich, van hun verbintenissen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht met betrekking tot het moordweekend van 24 tot en met 27 september 2024 jegens [gedaagde] bevrijd zijn,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 855,35, te betalen aan [eiseres c.s.] . binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 406,00, te betalen aan [eiseres c.s.] . binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten van € 135,00 aan [eiseres c.s.] . Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.6, 4.8 en 4.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.