[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: O. Koçak)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: D.J. Koopmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 mei 2023 (het bestreden besluit).
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] , dagtekening 10 maart 2023. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt dat is ontvangen op 18 april 2023.
De heffingsambtenaar heeft, met de bestreden uitspraak van 9 mei 2023, de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd. De heffingsambtenaar heeft het verzoek van eiseres om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten afgewezen. Eiseres heeft op 5 juli 2023 beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. De gemachtigde van eiseres is, zonder tegenbericht, niet verschenen.
Feiten en geschil
2. Op 25 februari 2023 om 12:19 stond de auto met het kenteken geparkeerd aan de Amsterdamsestraatweg te Utrecht zonder geldig parkeerrecht. De parkeerlocatie betreft Parkeerrayon Pijlsweerd, nummer belparkeren [nummer] . Het uurtarief voor deze zone bedraagt € 5,43 (zone A2). Eiseres is het niet eens met de naheffingsaanslag omdat zij stelt wel parkeerbelasting te hebben betaald. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een betaalbewijs overgelegd van dat tijdstip van een betaling voor Parkeerrayon Pijlsweerd Noord, nummer belparkeren [nummer] . Het uurtarief voor deze zone bedraagt € 4,01 (zone B1). De heffingsambtenaar heeft in de bestreden uitspraak uit coulance de naheffingsaanslag vernietigd, omdat er door eiseres op het moment van constateren wel betaald was maar voor een ander rayon tegen een lager tarief.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht was opgelegd voordat deze uit coulance werd vernietigd en of de heffingsambtenaar het verzoek om proceskostenvergoeding terecht heeft afgewezen. Daarnaast is in geschil of eiseres ten onrechte in de bezwaarfase door de heffingsambtenaar niet gehoord is.
Beoordeling door de rechtbank
Horen
3. Eiseres heeft aangevoerd dat de hoorplicht door de heffingsambtenaar is geschonden, nu zij in het bezwaarschrift expliciet verzocht heeft te worden gehoord en er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft op de zitting erkend dat eiseres ten onrechte niet is gehoord. Nu de gemachtigde van de heffingsambtenaar ter zitting erkend heeft dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, slaagt deze beroepsgrond. De hoorplicht is geschonden.3.1. De rechtbank kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan dit vormverzuim voorbijgaan, mits belanghebbende daardoor niet is benadeeld. In dit kader stelt de rechtbank vast dat eiseres haar bezwaren in beroep alsnog schriftelijk uiteen heeft gezet. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet is benadeeld op grond waarvan de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand wordt laten. Er is dus ook geen aanleiding voor een terugwijzing naar de heffingsambtenaar.
Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden alsmede de in beroep gemaakte proceskosten
De naheffingsaanslag
Inhoudelijke beoordeling op de zaak betrekking hebbende stukken
4. Eiseres stelt dat ten onrechte de op de zaak betrekking hebbende stukken niet zijn gedeeld. Daardoor is zij niet in de gelegenheid gesteld om een volledige en inhoudelijke beoordeling uit te voeren en de juistheid van de naheffingsaanslag te kunnen vaststellen ten aanzien van de volgende punten:
A. of de auto daadwerkelijk in een andere zone was geparkeerd;
B. of de ambtenaar bevoegd was om de beschikking uit te schrijven;
C. of de naheffingsaanslag voldoet aan de door de wet opgelegde vereisten.
Het niet delen van deze informatie is volgens eiseres in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres stelt daardoor ernstig te zijn benadeeld in het recht op een eerlijk proces.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er geen inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken hoeft te worden geboden wanneer de aanslag wordt vernietigd. De rechtbank volgt hem in dit standpunt. Door de naheffingsaanslag uit coulance te vernietigen komt de heffingsambtenaar geheel tegemoet aan het bezwaar van eiseres. Om die reden was er voor de heffingsambtenaar ook geen aanleiding voor het toezenden van de stukken.
Coulance en proceskostenvergoeding
5. Eiseres voert aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in bezwaar. Zij stelt dat indien de heffingsambtenaar uit coulance een naheffingsaanslag vernietigt er wel degelijk recht bestaat op een proceskostenvergoeding. Zij wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank van 7 april 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:2038).
De rechtbank overweegt het volgende. Uit coulance heeft de heffingsambtenaar de aanslag vernietigd. Omdat het betalen voor de verkeerde zone voor risico van eiseres komt, was geen sprake van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Zoals terecht door de heffingsambtenaar is gesteld komt de proceskosten enkel voor vergoeding in aanmerking voor zover een bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De heffingsambtenaar heeft daarom terecht geen proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend. In de uitspraak waar door eiseres naar wordt verwezen bleek onvoldoende uit het dossier of er sprake was van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is hier geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Onjuiste verrekening van reeds betaalde parkeerbelasting 6. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag niet juist was nu de heffingsambtenaar geen rekening houdt met de reeds door eiseres betaalde parkeerbelasting. Eiseres wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank van 21 april 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:1644) waaruit volgt dat het onzorgvuldig is om de aanslag op te leggen zonder eerst te controleren of betrokkene parkeerbelasting elders had voldaan.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. In de zaak waar eiseres op wijst was er sprake van het betalen in verkeerde zones waarbij dezelfde tarieven werden gehanteerd in de verschillende zones. In die zaak was de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar dit tussentijds had kunnen checken in het systeem en dat vaststond dat eiser in die zaak ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag het verschuldigde bedrag aan parkeerbelasting volledig had betaald, al was dit in de verkeerde zone. Bovenstaande gaat niet op voor eiseres in onderhavig zaak, te meer nu de reeds door eiseres betaalde parkeerbelasting lager was dan het verschuldigde bedrag in de juiste zone. De beroepsgrond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
7. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat het bestuursorgaan in de door een eisende partij voor de beroepsfase gemaakte proceskosten wordt veroordeeld en het betaalde griffierecht moet vergoeden, in gevallen waarin de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit vaststelt en waarbij dat gebrek wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat de eisende partij in deze gevallen beroep heeft moeten instellen om het betreffende gebrek in de besluitvorming te laten herstellen en daarvoor kosten heeft moeten maken.
De rechtbank bepaalt de wegingsfactor voor de proceskosten overeenkomstig haar uitgangspunten. De rechtbank heeft kennis genomen van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024, maar ziet daarin geen aanleiding om deze uitgangspunten te verlaten. Met dat arrest is de uitspraak van deze rechtbank waarin die uitgangspunten zijn geformuleerd weliswaar vernietigd, maar dat is gebeurd op andere gronden dan op grond van een inhoudelijke toetsing van de lijn van de rechtbank. De rechtbank berekent de proceskostenvergoeding dus als volgt.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- per punt. In beroep heeft de gemachtigde van eiseres een beroepschrift ingediend (1 punt). Omdat de zaak een zeer licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,25 toegepast. De totale vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in beroep bedraagt daarmee € 226,75.
Daarnaast moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht van € 365,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.