[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: J.A. Voorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van het UWV tot verkorting van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever.
Met het besluit van 18 april 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de verlengde loondoorbetalingsplicht aan de werkgever van eiser bekort tot en met 13 mei 2024.
Met het bestreden besluit van 11 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van verweerder is, zonder tegenbericht, niet verschenen.
Feiten en geschil
2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser was als conciërge in dienst bij [bedrijf] (de voormalig werkgever) voor 20 uur in de week, waar hij ziek is gemeld op 6 april 2022. Op 9 februari 2024 heeft het Uwv, op formele gronden, de beslissing genomen aan de voormalig werkgever een loondoorbetalingsverplichting op te leggen omdat niet is voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Hierbij zou het loon moeten worden doorbetaald tot 7 april 2025. Op 12 maart 2024 heeft de voormalig werkgever aan het Uwv doorgegeven dat zij inmiddels voldoende hebben gedaan aan de re-integratie van eiser en daarbij de gevraagde documenten aangeleverd. Dit heeft geleid tot het primaire besluit waarbij de loonbetalingsverplichting is verkort tot en met 13 mei 2024. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar van eiser is met het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat de voormalig werkgever volgens het Uwv heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
Procesbelang
3. De rechtbank moet allereerst beoordelen of eiser belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft, nu een beslissing tot het bekorten van de periode waarover het loon moet worden doorbetaald niet ongedaan kan worden gemaakt. De rechtbank zal uitleggen hoe zij dat moet beoordelen.
Zoals volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, bestaat belang bij een beoordeling van het beroep als het doel dat degene die beroep heeft ingesteld voor ogen staat, ook daadwerkelijk met dit rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Op de zitting is met de gemachtigde van eiser besproken dat volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep de bekorting van de loonsanctie niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Dit maakt dat daarin geen procesbelang is gelegen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser uitgelegd dat onder andere schadevergoeding van het Uwv belangrijk is voor eiser als gevolg van het in zijn ogen ten onrechte bekorten van de loonsanctie. De rechtbank is van oordeel dat dat een procesbelang oplevert voor eiser.
De rechtbank zal daarom het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen maar komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Zij zal hierna uitleggen waarom.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het standpunt van eiser?
4. Eiser stelt dat sprake is van een onterechte bekorting van de loonsanctie en dat het Uwv het primaire besluit had moeten herzien en de loondoorbetalingsverplichting had moeten laten doorlopen. Eiser voert daarbij aan dat de voormalig werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen, zij nalatig is geweest en onvoldoende actie heeft ondernomen richting eiser. Volgens eiser staan er veel onjuistheden in het dossier en ontbreken er een aantal belangrijke stukken. Eiser geeft aan het liefst weer terug in zijn functie te willen treden maar dat dit door de verstoorde arbeidsrelatie niet meer mogelijk is.
Wat is het standpunt van het Uwv?
5. Het Uwv blijft in beroep bij zijn standpunt dat de voormalig werkgever van eiser genoeg heeft gedaan aan re-integratie en dat de verkorting van de loonsanctie in stand moet blijven. Hij baseert zich daarbij op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in haar medische rapportage in de bezwaarschriftprocedure dat eiser gedurende de gehele ziektewetperiode niet of nauwelijks belastbaar is geweest en dat als gevolg van de problematiek rondom mediation een spoor 2 traject niet mogelijk was. Zij baseert zich hierbij met name op informatie van De Waag, in combinatie met de informatie van de bedrijfsarts. Hieruit blijkt volgens de verzekeringsarts dat, vooral gezien de sterke agitatie en agressieregulatieproblematiek, eiser sterk beperkt was in het eerste jaar van zijn ziekte. Mede door het conflict zijn de klachten sterk toegenomen en was eiser ook na één jaar ziekte maar zeer beperkt belastbaar en is dit in het jaar erna ook niet gewijzigd.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt in zijn rapportage van 17 december 2024 ook tot de conclusie dat er door de voormalig werkgever geen re-integratie kansen zijn gemist en wijst daarbij op de rapportage van de arbeidsdeskundige SMZ van 18 april 2024. Daarin werd geconcludeerd dat de inspanningen van de voormalig werkgever voldoende waren. De sociaal-medische begeleiding door de diverse bedrijfsartsen tijdens de wachttijd voor de WIA, werden door de verzekeringsarts SMZ voldoende geacht. Eiser was gedurende nagenoeg de volledige wachttijd voor de WIA onvoldoende belastbaar geweest voor re-integratie, maar ook voor het bespreken van de op dat moment spelende werkproblematiek. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verklaart in zijn rapport dat de belastbaarheid van een werknemer zwaar weegt bij re-integratie en hier ook leidend in is. De werkgever kan namelijk op basis van de vastgestelde belastbaarheid adequate re-integratie-inspanningen verrichten en vormgeven. Gelet op de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser gedurende de gehele ziektewetperiode niet of nauwelijks belastbaar is geweest is de arbeidsdeskundige van mening dat er geen reële re-integratie kansen zijn gemist.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat de loonsanctie op formele gronden aan de voormalig werkgever was opgelegd wegens het ontbreken van de juiste documenten. Omdat het Uwv zich geen oordeel kon vormen over de inspanningen gericht op re-integratie werd een loonsanctie van maximaal 52 weken opgelegd. Omdat de voormalig werkgever op 12 maart 2024 aan het Uwv alsnog de gevraagde documenten heeft overgelegd kon het Uwv toen pas over gaan tot een inhoudelijke beoordeling. Het Uwv was daarbij van mening dat de voormalig werkgever voldoende heeft aangetoond aan zijn re-integratieverplichtingen te hebben voldaan. In het bestreden besluit en in beroep blijft het Uwv bij dit standpunt, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat eiser gedurende de gehele ziektewetperiode niet of nauwelijks belastbaar is geweest. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert daarom dat er geen re-integratie kansen zijn gemist, omdat als gevolg van de problematiek rondom mediation en de (beperkte) belastbaarheid van eiser een spoor 2 traject niet mogelijk was.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de voormalig werkgever genoeg heeft gedaan aan re-integratie om de loonsanctie te bekorten. De rechtbank stelt voorop dat zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter zitting blijkt dat bij de behandeling van de casus door de voormalig werkgever bepaalde zaken wellicht anders en beter aangepakt hadden kunnen worden. Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat het ziekteproces van eiser –en dan met name de omstandigheid dat eiser gedurende de gehele ziektewetperiode niet of nauwelijks belastbaar is geweest- en de soms onvoorspelbare situatie als gevolg van het lopende arbeidsconflict maakten dat al met al van de voormalig werkgever niet verlangd had hoeven worden nog meer aan re-integratie te hoeven doen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de beslissing van het Uwv tot het verkorten van de periode van loondoorbetaling in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.