RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11621223 \ MC EXPL 25-1863
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.C. Warnsinck.
1. De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025;- de akte uitlating bewijs met productie 12 van [eiseres] ;- de akte van [gedaagde] .
Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
De kantonrechter heeft in deze zaak op 20 augustus 2025 een tussenvonnis gewezen. De inhoud van dat tussenvonnis moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen en beslissingen worden gehandhaafd.
Ter beoordeling ligt nog voor de vordering van [eiseres] tot betaling van het schadebedrag van € 5.725,34. Die schade is op 15 mei 2024 ontstaan aan de door [gedaagde] van [eiseres] gehuurde auto ten gevolge van een eenzijdig ongeval. [eiseres] vordert dit, omdat zij meent dat de zoon van [gedaagde] ten tijde van het schadeveroorzakende ongeval in de auto reed en [gedaagde] door zijn zoon in de auto te laten rijden heeft gehandeld in strijd met artikel 8.3. van de algemene voorwaarden.
De kantonrechter heeft [eiseres] in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van haar stelling dat [gedaagde] de auto niet bestuurde ten tijde van het ongeval. [eiseres] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en een akte ingediend. [eiseres] geeft aan dat zij contact heeft gezocht met de politie en dat de agent - die betrokken is geweest bij het ongeval - bevestigde dat de zoon van [gedaagde] de bestuurder was van de auto ten tijde van het ongeval en [gedaagde] in het geheel niet aanwezig is geweest. [eiseres] heeft de door de politie opgemaakte processen-verbaal bij haar akte in het geding gebracht. De kantonrechter maakt uit die processen-verbaal op dat de politie [A] , zijnde de zoon van [gedaagde] , heeft aangemerkt als betrokkene bij het ongeval in hoedanigheid van bestuurder van de auto.
De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld op de akte van [eiseres] te reageren met het verzoek om als [gedaagde] getuigen wil horen dit aan te geven met de namen van de getuigen. [gedaagde] heeft in reactie daarop bij akte aangegeven dat hij bij zijn standpunt blijft en dat hij de verdere beoordeling aan de kantonrechter overlaat. De kantonrechter gaat er na die reactie van uit dat [gedaagde] geen getuigen meer wenst te (laten) horen of ander bewijs in het geding wil brengen voor zijn stelling dat hij de auto zelf bestuurde ten tijde van het ongeval.
De processen-verbaal die [eiseres] heeft ingebracht, zijn door de politie op ambtseed opgemaakt. Aan een door de politie op ambtseed opgemaakte proces-verbaal komt bijzondere bewijskracht toe. In het algemeen geldt daardoor dat van de juistheid van een ambtsedig proces-verbaal moet worden uitgegaan. Dit is alleen anders als voldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan gerede twijfel aan de waarneming of de bevoegdheid van de verbalisant kan ontstaan.
Feiten en omstandigheden die aanleiding geven om aan de juistheid van de processen-verbaal van de politie te twijfelen, zijn niet, althans onvoldoende, gebleken. De politie is na de melding van het ongeval ter plaatse gegaan. Dat zij alleen de zoon van [gedaagde] bij de auto hebben aangetroffen, blijkt uit het proces-verbaal. [gedaagde] wordt in dat proces-verbaal immers niet genoemd. [gedaagde] zegt dat hij op dat moment niet bij de auto is geweest, omdat hij hulp zou zijn gaan halen en heeft ter onderbouwing van die stelling twee schriftelijke getuigenverklaringen van contacten van zijn zoon, [B] en [C] , ingebracht. Aan de verklaring van [B] kan geen waarde worden gehecht, omdat deze getuige zelf aangeeft niet op de plek van de aanrijding aanwezig te zijn geweest. [C] verklaart dat zij de zoon van [gedaagde] en [gedaagde] op de plek van de aanrijding heeft gezien en [gedaagde] hulp is gaan halen, maar deze verklaring alleen is onvoldoende om te twijfelen aan de waarneming van de politie. De zoon van [gedaagde] heeft namelijk zelf niet tegen de politie, die ter plaatse kwam, gezegd dat zijn vader de auto had bestuurd. Hij heeft enkel aangegeven dat zijn vader hulp was gaan halen. Ander bewijs dat de verklaring van [C] ondersteund is er niet. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aanvullend bewijs te leveren. Omdat er geen aanvullend bewijs voorhanden is waaruit valt af te leiden dat [gedaagde] de auto bestuurde, komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat aan het proces-verbaal van de politie moet worden getwijfeld. De bevindingen van de politie ten tijde van het ongeval en de situatie die de politie bij de auto aantrof, leiden naar het oordeel van de kantonrechter tot de conclusie dat niet [gedaagde] maar zijn zoon ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto was.
Conclusie
Dat betekent dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met artikel 8.3 van de algemene voorwaarden en de vordering van [eiseres] tot betaling van de schadefactuur van
€ 5.725,34 zal worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente van € 255,67 berekend tot 5 februari 2025 en de wettelijke rente vanaf 5 februari 2025 tot de dag van volledige betaling is op grond van de wet toewijsbaar. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 20 augustus 2025 al geoordeeld dat de vordering tot betaling van de facturen van de parkeerbelasting van € 98,33 en € 93,63 ook zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiseres] vordert een vergoeding van € 670,87 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding komt overeen met het tarief dat is vermeld in de aanmaning en met het volgens het Besluit redelijk geachte wettelijke tarief. Het bedrag van € 670,87 zal daarom worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
847,50
(2,5 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.646,28
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 6.843,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 5.917,30 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.646,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op
26 november 2025.
41264