RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[bedrijf] B.V., uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6731
(gemachtigde: mr. R. Ridder),
en
(verweerder).
Procesverloop
Met het besluit van 26 januari 2024 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk wijzigen van het gebruik van een kantoorpand naar een woning. Eiser heeft op 12 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar was te laat ingediend en eiser kon voor 13 augustus 2024 aangeven wat de reden hiervoor was. Eiser verzocht niet de brief van 12 juli 2024 als bezwaarschrift te zien, maar zijn brief van 31 oktober 2023. Bij beslissing van 18 september 2024 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift van 31 oktober 2023 is ontvangen voordat het besluit werd genomen en er geen sprake is van verschoonbare redenen. Eiser heeft op 29 oktober 2024 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gronden van beroep zijn op 25 november 2024 verzonden. Verweerder heeft op 31 januari 2025 een verweerschrift ingediend.
Overweging
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroep is kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In deze zaak ligt ter beoordeling voor of verweerder het bezwaarschrift van 12 juli 2024 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. Eiser stelt allereerst dat de brief van 31 oktober 2023 als prematuur bezwaar moet worden aangemerkt gelet op artikel 6:10, eerste lid, van de Awb en daarmee een niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege dient te blijven. De brief van 31 oktober 2023 is gebaseerd op mededelingen van de heer [persoon] (projectleider vastgoed bij de gemeente). Door deze mededelingen stelt eiser dat hij ervan uit mocht gaan dat een besluit was genomen. Daarbij heeft verweerder eiser er niet van op de hoogte gesteld dat het bezwaar prematuur was, zodat hij niet alsnog tijdig bezwaar kon indienen. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding gelet op artikel 6:11 van de Awb. Het lag op de weg van verweerder om eiser op de hoogte te stellen van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Tot slot stelt eiser dat hij onterecht niet is gehoord in de bezwaarfase.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 31 oktober 2023 is verzonden voordat een aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend. Er wordt in deze brief ook niet ondubbelzinnig vermeld dat er bezwaar wordt gemaakt tegen een bepaald besluit. Daarmee kan de brief van 31 oktober 2023 niet als prematuur bezwaarschrift worden aangemerkt, eiser kon er redelijkerwijs niet vanuit gaan dat er al een besluit was genomen. Verder is het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning op 6 februari 2024 in het Gemeenteblad gepubliceerd. Er was geen plicht voor verweerder om eiser direct hierover in te lichten. Daarbij heeft de commissie van bezwaarschriften afgezien van het horen van eiser omdat redelijkerwijs er geen twijfel over bestond of de brief van 31 oktober 2023 prematuur was en niet voldoet aan artikel 6:10 van de Awb. Er was voor verweerder voldoende kenbaar dat het bezwaar om hiervoor genoemde redenen niet-ontvankelijk was. De brief van 12 juli 2024 is na de bezwaartermijn ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat als iemand bezwaar maakt terwijl er nog geen besluit is genomen, het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren. Dit is anders als de bezwaarmaker redelijkerwijs kon menen dat er wel al een besluit was genomen. In dat geval wordt het bezwaarschrift inhoudelijk beoordeeld. Dit volgt uit artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De Memorie van Toelichting bij dit artikel noemt als voorbeelden dat de bezwaarmaker een conceptbesluit heeft aangezien voor het besluit zelf of dat op grond van minder nauwkeurige berichten in de pers of op grond van een mededeling van een ambtenaar wordt geconcludeerd dat reeds een besluit is tot stand gebracht terwijl dit nog niet het geval is.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning kon tot en met 8 maart 2024 bezwaar worden ingediend. Het bezwaarschrift van eiser dateert van 12 juli 2024 en is dus ruim vier maanden te laat ingediend. Eiser heeft desgevraagd verzocht om zijn brief van 31 oktober 2023 als bezwaarschrift aan te merken. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser er niet redelijkerwijs van uit kon gaan dat er toen al een beslissing was genomen omtrent de omgevingsvergunning, omdat er nog geen aanvraag was gedaan. De aanvraag is namelijk op 21 december 2023 ingediend, bijna twee maanden na eisers brief. De rechtbank is verder van oordeel dat de brief van 12 juli 2024, voor zover deze toch als bezwaarschrift zou worden aangemerkt, te laat is ingediend. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
7. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.