RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16-064024-25; 16-364309-24 (gev. ttz); 16-048896-25 (gev. ttz); 16-033623-22 (tul) en 16-119812-24 (tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juni 2025 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in het [verblijfplaats] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.
1. ZITTING
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2025. Op de zitting waren aanwezig:
2. TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16-364309-24
op 15 november 2024 in Utrecht ramen en een wasbak van [instelling] heeft vernield;
16-064024-25
16-048896-25
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
3. BEWIJS EN DE BEWEZENVERKLARING
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft geen bewijsverweer gevoerd en heeft de beoordeling van het bewijs aan de rechtbank overgelaten.
Oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de verdachte alle feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd. Zij gebruikt daarvoor de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.Deze bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
16-364309-24 en 16-064024-25
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , genummerd PL0900-2024363489-7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 november 2024 omstreeks 01:00 uur werden wij, verbalisanten, gestuurd naar de ' [locatie] ' van [instelling] in Utrecht. Wij hoorden aanrijdend van het Operationeel Centrum dat bewoner [verdachte] zelf had gebeld naar 112 omdat hij daar de boel aan het slopen was.
Toen wij ons dienstvoertuig ter plaatse tot stilstand brachten, zagen wij een man op ons dienstvoertuig af komen lopen. Wij zagen dat hij zijn handen omhooghield en dat hij stil ging staan voor ons dienstvoertuig. Ik herkende deze persoon direct als [verdachte] .
Wij hoorden diverse bewoners van [locatie] tegen ons zeggen dat wij hem moesten aanhouden omdat hij alle ruiten had vernield. Ik vroeg aan [verdachte] waarom er twee stoeptegels op de oprit lagen. Wij, beide verbalisanten, hoorden [verdachte] zeggen dat hij hier nog niet aan toe was gekomen en dat deze stoeptegels bestemd waren voor zijn eigen woning. Daarop hoorden wij [verdachte] zeggen dat hij het hele terrein had gehad en dat hij ook dingen van zijn eigen woning kapot had gemaakt.
Op enig moment bespraken wij, beide verbalisanten, dat onze collega foto's zou maken van de kapotte ramen. Wij hoorden [verdachte] hierop, uit zichzelf, zeggen dat 'zij dan nog wel even bezig zou zijn, omdat hij bijna alles had gehad'. Wij zagen dat [verdachte] bloed aan zijn handen had en dat één van zijn nagels gebroken was.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , genummerd : PL0900-2024363489-8, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 november 2024 omstreeks 01:00 uur werden wij, verbalisanten, gestuurd naar de ' [locatie] ' van [instelling] in Utrecht. Ik zag dat de collega's in gesprek waren met [verdachte] . Daarop liepen wij naar de ingang van het hoofdgebouw. Wij zagen dat er meerdere ruiten van het hoofdgebouw kapot waren. Ook zagen wij dat er in de gang een stoeptegel op de grond lag. Tegenover het hoofdgebouw, aan de kant van de binnenplaats van het terrein, staan twee grote houten schuren. Ik zag dat er twee ruiten van de schuur waren vernield.
Ik liep samen met de begeleider eerst naar een gebouw waar [instelling] een klein kantoor heeft. Ik zag dat er twee ruiten vernield waren van het gebouw. Vervolgens liep ik samen met de begeleider naar de woning van [verdachte] . Ik zag dat de wasbak in zijn badkamer was vernield. Ik zag dat er scherven van de wasbak op de grond lagen.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 18 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Rechter-commissaris: Bij [instelling] bent u de komende tijd niet welkom begrijp ik.
Verdachte: Kunt u er niet voor zorgen dat ik weer terug kan?
Rechter-commissaris: Daar heb ik geen invloed op. Wilt u verder nog iets zeggen?
Verdachte: Ik heb de politie ook gezegd dat ze beter konden komen omdat ik een aantal dingen had vernield.
Een proces-verbaal van aangifte van huisvredebreuk van [aangever 5] namens [instelling] , genummerd 250228-1152-890, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 februari 2025 zat ik samen met mijn collega in het kantoor van [instelling] in Utrecht. Ik zag middels de camera's die hangen op het terrein [verdachte] het terrein op lopen. Het is mij bekend dat [verdachte] een ontzegging heeft voor het pand en het gehele terrein wat toebehoort aan het bedrijf [instelling] . Deze ontzegging is ingegaan op 15 november 2024 naar aanleiding van een vernieling.
Ik zag op de camera's dat [verdachte] over het terrein liep in de richting van de ingang. Ik zag vervolgens dat [verdachte] voor het raam van het kantoor stond. Ik zag dat [verdachte] weer weg liep. Ik zag dat [verdachte] terug kwam lopen met een stoel in zijn handen. Ik zag dat [verdachte] met deze stoel op het raam sloeg. Ik zag dat het raam barste. Ik zag dat hij met de stoel tegen een ander raam sloeg. Ik zag dat dit raam kapot barste. Ik zag dat het raam geheel gebroken was.
Ik voeg de ontzegging bij de aangifte toe als bijlage.
Een pand/terrein ontzegging, als bijlage gevoegd bij de aangifte van [aangever 5] , genummerd 250228-1152-890, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bedrijf: [instelling] , locatie [locatie] , Utrecht
Ontzegging aan: [verdachte]
U heeft in de nacht van 14 op 15 november vernielingen gepleegd bij [instelling] [locatie] . U heeft meerdere ramen ingegooid, waaronder de ramen van de gang (.......). U heeft vernielingen gepleegd in uw chalet. Naar aanleiding van deze vernielingen is u de toegang tot het terrein van [instelling] locatie [locatie] ontzegd tot nog nader te bepalen datum.
Mocht u desondanks toch [locatie] betreden, dan maakt u zich schuldig aan huisvredebreuk, artikel 138 Wetboek van Strafrecht. Ook zullen we de politie bellen en aangifte doen.
Datum uitreiking: 15 november 2024.
Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 6] namens [instelling] , genummerd PL0900-2025064678-14, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 februari 2025 was ik werkzaam bij de opvanglocatie genaamd: ' [locatie] ' van ' [instelling] '. Ik zat samen met mijn collega op het kantoor en had zicht op de camerabeelden van het terrein. Ik zag op de beelden dat [verdachte] het terrein op kwam lopen. Ik ben toen door het raam van ons kantoor gaan kijken en ik zag dat [verdachte] het pand betreden had en dat hij de gang in kwam en voor het raam van ons kantoor kwam staan. Ik zag vervolgens dat [verdachte] weg liep en enkele ogenblikken terug kwam met een stoel. Ik zag dat [verdachte] de stoel vastpakte en met de stoel tegen het raam is gaan slaan. In dit raam zitten alleen barsten.Ik zag dat [verdachte] ook het raam aan de buitengevel geraakt heeft met dezelfde stoel. Dit raam is vernield.
16-048896-25
Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 1] , genummerd PL0900-2025047729-6, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon aan de [adres 1] in [plaats] . Op 14 februari 2025, omstreeks 00:28 uur, hoorde ik een doffe knal. Ik hoorde dat er iemand tegen de voordeur aan trapte. Ik hoorde dat er iets door mijn voorruiten werd gegooid, en hierdoor het glas op de grond viel. Ik hoorde een persoon schreeuwen. Ik herkende gelijk dat dit mijn zoon [verdachte] was. Ik hoorde dat de vernieling doorging, door meerdere doffe klappen en glas gerinkel. Niet veel later heeft de politie [verdachte] verderop in de straat aangehouden.
Omstreeks 00:35 uur zag ik dat er twee voorramen van mijn woning vernield waren. Ik zag dat er ook twee ramen met glas in lood, die boven de andere ramen zitten, vernield waren. Ik zag dat de ruit boven mijn voordeur, ook vernield was. Ik zag later dat er, in mijn woonkamer, een steen lag. Ik zag dat er ook in de gang een steen lag.
Omstreeks 00:40 uur, zag ik dat de achterruit van mijn auto vernield was. Ik had mijn auto geparkeerd voor mijn voordeur. Ik zag dat er naast mijn auto, nog twee auto's vernield waren.
Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 2] , genummerd PL0900-2025047752-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon aan de [adres 2] te [plaats] . Op 14 februari 2025, omstreeks 00:25 uur, hoorde ik een harde klap. Ik keek uit het raam en zag daar de zoon van de overbuurvrouw. Ik zag dat hij met een steen een raam van de woning tegenover mijn woning aan het ingooien was. Ik zag dat hij daarna naar onze personenauto liep en een steen door de achterruit gooide. Ik zag dat hij daarna naar de personenauto naast onze auto liep en deze ook vernielde met een steen. Ik zag dat hij daarna naar de geparkeerde auto aan de andere kant van onze auto liep en hier ook een steen door de achterruit heen gooide.
Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 3] namens [benadeelde] , genummerd PL0900-2025047899-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte namens [benadeelde] Gisteren [de rechtbank begrijpt: op 13 februari 2025] kwam ik rond 23.00 uur aan t.h.v. de [adres 2] in [plaats] . Op 14 februari 2025 omstreeks 09.00 uur kwam ik aan bij de auto van mijn ouders. Toen ik dichterbij het voertuig kwam zag ik dat:
- de vooruit beschadigd was.
- het glas was naar binnen toe ingedeukt was.
- boven het achterportier een deuk zat met hierin krassen.
- op de ruit van het achterportier aan de bestuurderszijde ook een beschadiging zat.
- de ruit van het achterportier aan de bijrijderszijde niet meer aanwezig was.
- onder de handgreep van het achterportier aan de bijrijderszijde lag een steen.
Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 4] , genummerd PL0900-2025048166-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 10 februari 2025 parkeerde ik mijn auto in een parkeervak aan de [straat] , ter hoogte van nummer [nummer] . Op 13 februari heb ik mijn auto voor het laatst onbeschadigd gezien.
Op 14 februari, omstreeks 03:00 uur, kwam ik thuis. Ik zag bij een huis in de straat dat de ruiten kapot waren. Vervolgens draaide ik mij om en zag mijn auto staan. Ik zag dat de volgende schade aan mijn auto was aangebracht:
- een deuk van ongeveer 15 tot 20 centimeter en
- lakschade aan het metaal onder de kentekenplaat op de achterbumper.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , genummerd PL0900-2025047729-12, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 februari 2025 werd ik wakker gemaakt door mijn partner en hoorde ik glasgerinkel. Wij liepen naar de voorkant van de eerste verdieping met uitzicht op de straat. Toen zagen wij [verdachte] (de zoon van de overbuurvrouw op nummer [nummer] ) heen en weer lopen en stenen oprapen en gooien. Ik zag dat hij stenen aan het oprapen was van de grond en dat hij die tegen de ruiten aangooide bij nummer [nummer] . Ik zag dat hij daarna met stenen aan het gooien was naar auto's.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2025047729-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 februari 2025 kwamen wij ter plaatse op de [straat] in Utrecht. Ik zag dat er één persoon in de straat, ter hoogte van nummer [nummer] stond. Ik zag dat hij een voorwerp, dat leek op een steen, in zijn handen vasthield. Ik herkende hem als [verdachte] .
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16-364309-24
op 15 november 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ramen en een wasbak, toebehorende aan [instelling] , heeft vernield;
16-064024-25
1. op 28 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ramen en/of ruiten, toebehorende aan [instelling] , heeft vernield;
2. op 28 februari 2025 te Utrecht in het besloten lokaal, in gebruik bij [instelling] , locatie [locatie] , wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 15 november 2024 schriftelijk de toegang tot die locatie ontzegd;
16-048896-25
1. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een woning en een ruit van een auto, toebehorende aan [aangever 1] , heeft vernield;
2. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto, toebehorende aan [aangever 2] , heeft vernield;
3. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk autoruiten en een auto, toebehorende aan [benadeelde] , heeft vernield en beschadigd;
4. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [aangever 4] , heeft beschadigd.
Het overige wat in de beschuldiging staat kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID
Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16-364309-24, 16-064024-25, feit 1 en 16-048896-25, feiten 1, 2, 3 en 4
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen;
16-064024-25, feit 2
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. OPLEGGING VAN MAATREGEL
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (een zogeheten ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft de rechtbank allereerst verzocht om aan de verdachte enkel een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest (met aftrek van dat voorarrest).
Verdachte heeft hulp nodig, maar de verdediging heeft er geen vertrouwen in dat die hulp hem kan worden geboden binnen het kader van de ISD-maatregel. Alleen daders die intrinsiek gemotiveerd zijn, komen binnen dat kader in aanmerking voor hulpverlening en/of een verblijf in een kliniek. Verdachte is echter niet altijd gemotiveerd of in staat om te laten zien dat hij gemotiveerd is. Dat is geen onwil, maar onmacht. Het is daarom onwenselijk om de ISD-maatregel, die is bedoeld als ultimum remedium, aan de verdachte op te leggen.
Verder is niet voldaan aan de vereisten voor het opleggen van een zorgmachtiging en is verdachte niet in staat zich altijd aan bijzondere voorwaarden te houden, zodat het opleggen van een voorwaardelijke straf met een reclasseringstoezicht ook geen soelaas biedt. Het opleggen van een ‘kale’ gevangenisstraf is wat de verdediging betreft daarom de enige optie.
Indien de ISD-maatregel toch aan verdachte wordt opgelegd, verzoekt de verdediging de rechtbank de duur van de maatregel te beperken tot een jaar en daarbij te bepalen dat zes maanden na oplegging van de maatregel via een tussentijdse toets wordt beoordeeld of er al zicht is op plaatsing van de verdachte in een kliniek.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte de maatregel op tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van het voorarrest.
Bij het bepalen van deze maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder hij deze feiten heeft gepleegd. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn strafblad. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte woonde vanaf februari 2024 begeleid in een woning op het terrein van [instelling] in Utrecht. In november 2024 heeft hij meerdere ruiten van gebouwen op dit terrein vernield door er stoeptegels tegenaan of doorheen te gooien. Naar aanleiding hiervan heeft [instelling] verdachte de woning uitgezet en hem de toegang tot het terrein en de panden van [instelling] ontzegd. De verdachte kwam ondanks die ontzegging op 28 februari 2025 het terrein van [instelling] oplopen, om vervolgens in het hoofdgebouw opnieuw een aantal ruiten te vernielen. Kort daarvoor, in de nacht van 14 februari 2025, had de verdachte ook al verschillende ruiten van de woning van zijn moeder met stenen ingegooid. Diezelfde nacht heeft hij ook de autoruit van haar auto en de autoruiten en/of auto’s van drie van haar buren vernield en beschadigd. Uit de verschillende stukken in het procesdossier blijkt dat het gedrag van de verdachte niet alleen voor veel overlast heeft gezorgd, maar ook beangstigend is geweest voor de bewoners en werknemers van [instelling] en voor de moeder van de verdachte en haar buren, omdat verdachte ’s avonds laat of ’s nachts woedend met stenen of grote stoeptegels aan het gooien was. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij deze schade, overlast en onrust heeft veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Rapport van de psycholoog
GZ-psycholoog L. van Peer heeft de verdachte onderzocht en haar bevindingen vastgelegd in een rapport. In dit rapport van 16 februari 2025 staat – kort en zakelijk weergegeven – het volgende.
Verdachte heeft een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. Verder is sprake van trauma gerelateerde problematiek. Deze stoornissen en problemen had de verdachte ook al ten tijde van het plegen van de bewezen feiten en het is aannemelijk dat de beperkingen die samenhangen met de persoonlijkheidsstoornis op zijn minst enige invloed hebben gehad op zijn handelen. Tijdens het onderzoek kon geen volledige diagnose worden gesteld, omdat de verdachte niet volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt. Het lijkt erop dat hij ook psychotisch ontregeld is (geweest), maar wat hiervan de precieze oorzaak is, blijft onduidelijk.
Als de verdachte niet klinisch wordt behandeld, is de kans groot dat hij opnieuw strafbare feiten zal plegen. Hij kan op dit moment namelijk nog niet goed met stressvolle situaties, problemen of tegenslagen omgaan. Dit leidt, samen met de emotieregulatie problemen van de verdachte, tot ‘acting-out’ gedrag.
Het is volgens de psycholoog moeilijk om een passend strafrechtelijk kader voor de verdachte te vinden. Aan de verdachte is in 2016 de ISD-maatregel opgelegd, maar deze maatregel heeft onvoldoende effect gehad. Ook daarna opgelegde interventies – zoals een verplichte klinische behandeling als bijzondere voorwaarde met een reclasseringstoezicht – hebben niet tot verbetering geleid, omdat de verdachte niet in staat was zich aan de voorwaarde(n) te houden.
Gelet op de ernst en ingewikkeldheid van de problemen van de verdachte en de hardnekkigheid van de patronen, verwacht de psycholoog dat de verdachte langdurige en intensieve ondersteuning nodig heeft binnen een setting met een hoog beveiligingsniveau, zoals een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). Binnen deze setting kan de verdachte traumatherapie volgen en behandeld worden voor zijn verslavings- en persoonlijkheidsproblemen.
Het beveiligingsniveau bij een zorgmachtiging is onvoldoende en de verdachte kan zich nog steeds niet goed aan bijzondere voorwaarden houden. De psycholoog denkt dat een nieuwe ISD-maatregel daarom de beste optie is, ondanks de beperkte effectiviteit van de maatregel in het verleden en het blijvende risico op een terugval vanwege de maximale duur van de maatregel. Het voordeel van de ISD-maatregel is namelijk dat sprake is van verplichte plaatsing, dat de verdachte kan worden behandeld en dat hem structuur wordt geboden, aldus de psycholoog.
Rapport van de reclassering
Reclasseringswerker B. Westra heeft de rechtbank in haar rapport van 25 april 2025 geadviseerd om aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen. De vele interventies die in het verleden aan de verdachte zijn opgelegd (waaronder de reguliere reclasseringskaders) hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Hoewel ook een eerder opgelegde ISD-maatregel onvoldoende effect heeft gehad, is het opnieuw opleggen van deze maatregel volgens de reclassering op dit moment (ook wegens het ontbreken van geschikte alternatieven) de enige passende optie. De ISD-maatregel kan verdachte de rust geven om vanuit een langdurig traject aan zijn toekomst te werken, waarbij fouten niet direct leiden tot het einde van de inspanningen.
Brief van het PPC
Uit een brief van de vestigingsdirecteur van het PPC waar de verdachte is gedetineerd, blijkt dat de verdachte psychotisch ontregeld is, maar weigert om zijn medicijnen in te nemen. Hij heeft vernielingen gepleegd in zijn cel, zich verzet bij overplaatsing naar de separeercel en hij heeft de psychiater met de dood bedreigd. Om de gevaren voor de verdachte en anderen af te wenden, is op 16 mei 2025 beslist dat hij tot en met 30 mei 2025 gedwongen antipsychotica krijgt toegediend.
Zorgmachtiging
De officier van justitie heeft in opdracht van de rechtbank laten onderzoeken of het opleggen van een zorgmachtiging aan de verdachte mogelijk en wenselijk is. De rechtbank leidt uit de bevindingen van de geneesheer-directeur en de onafhankelijk psychiater die het onderzoek (mede) hebben verricht af dat het opleggen van een zorgmachtiging aan de verdachte niet doelmatig en ontoereikend is. Dat komt onder meer omdat binnen het kader van de zorgmachtiging onvoldoende kan worden ingegrepen bij nieuw delictgedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is een zorgmachtiging, mede gezien de hiervoor weergegeven bevindingen van de forensisch psycholoog, een ongeschikt middel om toekomstig nieuw delictgedrag terug te dringen.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan (harde criteria). In de eerste plaats heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast blijkt uit het strafblad van 28 april 2025 dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de gepleegde misdrijven ten minste driemaal voor een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en dat de nu bewezen strafbare feiten zijn gepleegd na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder moet er, gelet op het strafblad van de verdachte en de hiervoor genoemde rapporten en brief, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen vereist daarom het opleggen van de maatregel.
Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel zoals gesteld in de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie (zachte criteria). De verdachte valt namelijk onder de definitie van het begrip ‘stelselmatige dader’. Hij is achttien jaar of ouder en heeft in een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zien worden voor meer dan tien misdrijven. Ten minste één van die misdrijven is gepleegd in de laatste twaalf maanden teruggerekend vanaf de meest recente pleegdatum van 28 februari 2025.
De rechtbank acht oplegging van de ISD-maatregel in dit geval – anders dan de advocaat van de verdachte – ook passend en nodig ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive (herhaling van strafbare feiten) van de verdachte. Hij valt keer op keer terug in het plegen van strafbare feiten en eerdere (kale) gevangenisstraffen, reclasseringsbemoeienis en behandelingen hebben niet geleid tot gedragsverandering. Hoewel ook een eerdere ISD-maatregel onvoldoende effect heeft gehad, is er naar het oordeel van de rechtbank geen passend of beter alternatief dan het opnieuw opleggen van de ISD-maatregel, zoals ook blijkt uit de rapportages van de psycholoog en de reclassering.
Het is van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Niet alleen om herhaling in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, maar ook om een langdurige (klinische) behandeling van de verdachte mogelijk te maken en alle kansen te geven. Daarom zal de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaar worden opgelegd. De tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel, zodat de maximale looptijd van de ISD-maatregel volledig kan worden benut.
6. BENADEELDE PARTIJ
[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij. Hij heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van € 3208,40 voor de materiële schade die hij heeft geleden door de vernieling van zijn auto. Dit gaat om het onder parketnummer 16-048896-25, als feit 3 ten laste gelegde. Hij heeft daarnaast gevorderd het toe te kennen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en hij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de gevraagde vergoeding geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat onvoldoende duidelijk is of de benadeelde partij alle herstelkosten daadwerkelijk heeft gemaakt en onduidelijk is of die kosten niet (deels) worden vergoed door de verzekering.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder parketnummer 16-048896-25 bewezen verklaarde feit 3. De benadeelde partij heeft zijn vordering tot vergoeding van de schade aan de auto voldoende onderbouwd met de daarbij gevoegde schadecalculatie. De rechtbank zal de vordering daarom geheel toewijzen.
De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman. Het staat de benadeelde partij vrij om de kosten voor het herstel van de schade aan zijn auto op de verdachte te verhalen, ongeacht of deze kosten ook door de verzekering kunnen worden vergoed. Verder is voor toewijzing van de vordering niet vereist dat de benadeelde partij de herstelkosten daadwerkelijk heeft gemaakt, nu het gaat om zaakschade die abstract mag worden begroot.
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij aldus (geheel) toe tot een bedrag van € 3208,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank veroordeelt verdachte daarnaast in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt daarnaast de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de Staat de schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij bij de verdachte zal incasseren (en de benadeelde partij dit niet zelf hoeft te doen). De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3208,40 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte niet (volledig) betaalt, dan kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming) van de verdachte worden toegepast voor de duur van 64 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. In dat geval is de verdachte niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
7. VORDERING TENUITVOERLEGGING
Aan de verdachte is bij vonnis van 3 januari 2023 een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar (16-033623-22 ). Daarnaast is aan verdachte bij vonnis van 5 juli 2024 een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaar (16-119812-24). De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraffen ten uitvoer worden gelegd, omdat verdachte de in deze zaak bewezen verklaarde feiten binnen de hierboven genoemde proeftijden heeft begaan. De officier van justitie heeft de rechtbank op de zitting in afwijking van de schriftelijke vordering echter verzocht de vorderingen af te wijzen, omdat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen zich niet verhoudt met de door haar geëiste maatregel.
De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf die is opgelegd in de zaak met parketnummer 16-119812-24, omdat uit het strafblad van de verdachte blijkt dat deze straf reeds ten uitvoer is gelegd.
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf die is opgelegd in de zaak met parketnummer 16-033623-22 af, omdat zij de ISD-maatregel aan verdachte oplegt en het belangrijk vindt dat deze zo snel mogelijk ten uitvoer kan worden gelegd. Het toewijzen van de vordering tenuitvoerlegging zou daaraan in de weg staan.
8. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het onder de parketnummers 16-364309-24, 16.064024.25 feiten 1 en 2 en 16-048896-25 feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.2 is omschreven;
- verklaart het overige niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar;
Oplegging maatregel
- legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;
Benadeelde partij
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-119812-24
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-033623-22
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mrs. L.L. Veendrick en
J.B. Duinkerken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier,
en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2025.
De voorzitter is op dit moment buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
16-364309-24
hij op of omstreeks 15 november 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ra(a)m(en) en/of wasbak/wastafel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
16-064024-25
1. hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Utrecht
opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ramen en/of ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Utrecht in het besloten lokaal [instelling] locatie [locatie] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 15 november 2024 schriftelijk de toegang tot die locatie ontzegd voor onbepaalde duur;
16-048896-25
1. hij op of omstreeks 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten van een woning en/of een of meerdere autoruiten en/of een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. hij op of omstreeks 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere autoruiten en/of een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3. hij op of omstreeks 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere autoruiten en/of een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] en/of [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4. hij op of omstreeks 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.