ECLI:NL:RBMNE:2025:6493

ECLI:NL:RBMNE:2025:6493, Rechtbank Midden-Nederland, 21-11-2025, UTR 24/1242

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 21-11-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer UTR 24/1242
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

WOZ; woning; is er sprake van een schending van artikel 40 Wet WOZ?; De waarde van de woning is nog steeds onderbouwd met de referentiewoningen uit het taxatieverslag; De WOZ-waarde van de referentiewoningen en de verkoopdatum van de referentieowningen; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/1242

(gemachtigde: J. van Abbe)

en

(gemachtigde: J.R. Stellingwerff).

Procesverloop

In de beschikking van 24 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op

€ 441.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 4 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. De heffingsambtenaar heeft op

27 april 2025 een aangepaste taxatiematrix gestuurd.

De zaak is behandeld op de zitting van 14 oktober 2025. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten

2. De woning is een in 2007 gebouwde rijwoning met een aangebouwde woonruimte van 7 m², een dakkapel van 4 m², een carport van 16 m², een berging van 5 m² en een overkapping van 14 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 114 m² en een perceeloppervlakte van 160 m².

Geschil

3. De WOZ-waarde van de woning is in beroep niet in geschil. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij van mening is dat de heffingsambtenaar met de aangepaste taxatiematrix heeft aangetoond dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar de door eiser gemaakte proceskosten nog wel moet vergoeden, omdat eiser gedwongen was om beroep in te stellen.

Schending van art. 40 Wet WOZ

4. Eiser heeft na het indienen van het bezwaarschrift een uitgebreid taxatieverslag ontvangen waarin onder andere de grondstaffels en KOUDV-L factoren van een drietal referentiewoningen zijn vermeld. Eiser heeft op de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de in het taxatieverslag gebruikte referentiewoningen. Eiser voert aan dat er in de uitspraak op bezwaar nieuwe referentiewoningen zijn gebruikt ter onderbouwing van de waarde en dat deze niet zijn onderbouwd met onder andere de grondstaffels en KOUDV-L factoren. Daardoor heeft eiser die gegevens niet kunnen controleren. Hierdoor stelt eiser gedwongen te zijn beroep in te stellen. Dit zou een schending van artikel 40 van de Wet WOZ opleveren en daarom moet de heffingsambtenaar veroordeeld worden in de proceskosten van eiser. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank van

6 december 2022.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 40 van de Wet WOZ de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken op verzoek aan eiser moet verstrekken. KOUDVL-factoren, de gegevens achter de indexatiecijfers en de grondstaffel zijn op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat zowel de WOZ-beschikking als de uitspraak op bezwaar daarop gebaseerd zijn. Bij de beoordeling van een schending van artikel 40 van de Wet WOZ betrekt de rechtbank de goede procesorde en wordt bekeken of een informatieachterstand is ontstaan en of die achterstand tijdens de procedure is hersteld.

In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar benadrukt dat de taxateur de waarde naar aanleiding van het bezwaar nogmaals heeft getoetst aan de referentiewoningen die op het taxatieverslag staan vermeld. Deze zijn naar het oordeel van de taxateur de meest vergelijkbare woningen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting benadrukt dat de twee nieuw genoemde referentiewoningen in de uitspraak op bezwaar dienen als extra onderbouwingen. De waarde van de woning is, als je deze extra referentiewoningen wegdenkt, nog steeds onderbouwd met de referentiewoningen uit het taxatieverslag.

De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn standpunt. De heffingsambtenaar heeft de waarde voldoende onderbouwd met de eerste drie referentiewoningen in het taxatieverslag. Eiser heeft immers alle informatie die betrekking heeft op deze referentiewoningen ontvangen. Anders dan in de uitspraak waar eiser naar verwijst heeft de heffingsambtenaar in onderhavig geval niet de gegevens alsnog aan eiser verstrekt toen de uitspraak op bezwaar werd verstuurd. De heffingsambtenaar heeft deze gegevens kennelijk niet noodzakelijk geacht voor de onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning, omdat de waarde al voldoende werd onderbouwd met de eerste drie referentiewoningen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen informatieachterstand is ontstaan en dat de heffingsambtenaar eiser niet heeft gedwongen om beroep in te stellen teneinde een adequate motivering te ontvangen. Daarom oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase artikel 40 van de Wet WOZ niet heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

De WOZ-waarde van de referentiewoningen en de verkoopdatum

5. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in het taxatieverslag de WOZ-waarden noemt van de referentiewoningen. Bij de indexering mag echter niet uitgegaan worden van de WOZ-waarde.Verder voert eiser aan dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een verkeerde datum, namelijk de datum van overdracht bij de notaris. Met de datum van overdracht bij de notaris, die in de bezwaarfase wordt genoemd, wordt de waarde niet aannemelijk gemaakt. De indexering kan op basis van deze datum niet goed zijn toegepast. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank. Eiser stelt dat hij gedwongen in beroep moest gaan om erachter te komen wat de juiste datum was waarvan uit moet worden gegaan bij de indexering. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 6 december 2024 een aangepaste taxatiematrix toegestuurd waarbij de indexering, naar aanleiding van de juiste datum, wel juist is toegepast.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de stukken blijkt niet dat er in de bezwaarfase gebruik is gemaakt van de WOZ-waarden bij de indexering. Eiser heeft niet onderbouwd waaruit zou blijken dat de heffingsambtenaar wel gebruik heeft gemaakt van WOZ-waarden bij de indexering van de referentiewoningen. Voor wat betreft het taxatieverslag stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar aansluit bij het vastgestelde model taxatieverslag. Daaruit volgt dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase niet verplicht is om de WOZ-waarde te onderbouwen met geïndexeerde verkoopcijfers. Het vermelden van de datum van overdracht bij de notaris, verkoopprijs en WOZ-waarde zoals op het taxatieverslag staat vermeld is voldoende. De heffingsambtenaar heeft verder in beroep pas de verkoopcijfers geïndexeerd en had dit ook niet eerder hoeven doen. Alleen hierom al is eiser niet gedwongen in beroep te gaan. Ten overvloede constateert de rechtbank dat de vraag of de heffingsambtenaar van de juiste datum is uitgegaan niet meer relevant is omdat de WOZ-waarde in beroep echter meer in geschil is en dat de heffingsambtenaar het (eventuele) gebrek in beroep heeft hersteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

21 november 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.W. Veenendaal

Griffier

  • mr. M.A. Barmentlo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?