RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen
Start People B.V., uit Almere, eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4118
(gemachtigde: C. Wessels),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 31 augustus 2022.
Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 2 september 2022. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 25 juli 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 13 december 2022 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden
verklaard omdat het onredelijk laat is ingediend. Eiseres heeft in de gronden van het beroep toegelicht dat zij begrip heeft voor de grote achterstanden bij het UWV. De rechtbank kan begrijpen dat eiseres niet direct juridische stappen heeft ondernomen omdat zij op de hoogte is van de achterstanden bij verweerder. Verder heeft eiseres meerdere keren telefonisch contact gezocht met het UWV om de stand van zaken op te vragen en een klacht ingediend. Verweerder heeft dit niet betwist. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onredelijk laat ingesteld beroep. Het beroep is ontvankelijk.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
6. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
10. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: