RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4159
De Willibrord Stichting voor rk, pc en interconfessioneel voortgezet onderwijs (rk/pc) voor Utrecht en omstreken, uit Utrecht, eiseres
(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft op 16 oktober 2024 een eerste verzoek om herbeoordeling gedaan. Op
7 februari 2025 heeft verweerder een beslissing genomen op dit verzoek. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing op 3 maart 2025.
4. Eiseres heeft vervolgens een tweede verzoek om herbeoordeling ingediend op 14 april
2025. Verweerder heeft hier nog niet op besloten. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 12 juni 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
5. Verweerder heeft bij de brief van 25 juli 2025 een verweerschrift ingediend. Het
standpunt van verweerder is dat het bezwaarschrift van 3 maart 2025 hetzelfde doel
beoogt als de tweede aanvraag van 14 april 2025, namelijk een eerdere ingangsdatum van de toegekende IVA-uitkering. Verweerder stelt dat eiseres de beslissing op het bezwaar dient af te wachten voordat zij een nieuwe aanvraag doet en vraagt om het beroep niet tijdig daarom niet ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van verweerder, maar de geschetste situatie ontslaat verweerder niet van de verplichting om te beslissen op een aanvraag. De rechtbank oordeelt hierover dan ook dat de lopende bezwaarprocedure niet in de weg staat om een nieuwe aanvraag in te dienen. Als verweerder van mening is dat het verzoek van 14 april 2025 een herhaalde aanvraag is, dan had hij de aanvraag zo mogelijk met toepassing van artikel 4:6 van de Awb kunnen afwijzen.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
9. In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit
neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb). Omdat verweerder nog geen dwangsombesluit heeft genomen en eiseres daar in deze procedure om vraagt, stelt de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb de dwangsom vast.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
10. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: