RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
De Minister van Financiën, T.a.v. de Programmadirecteur Schulden
Inleiding
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6647
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en
(gemachtigde: mr. S. Salhi).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor het overnemen van private schulden die onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) vallen. Eiser heeft verzocht om overname van zijn schulden aan zijn broer, ter hoogte van respectievelijk € 5.000,00, €12.000,00 en € 30.000,00.
Procesverloop
2. Met het besluit van 19 maart 2024 heeft de Sociale Banken Nederland (SBN) de private schulden van eiser niet overgenomen. Met het bestreden besluit van 18 september 2024 op het bezwaar van eiser is SBN bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een pleitnotitie. De minister heeft eiser gelijk gegeven dat de schuld van € 30.000,00 voor vergoeding in aanmerking komt. De overige schulden komen volgens de minister niet voor vergoeding in aanmerking.
5. De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld om bewijzen ter onderbouwing van de schulden van € 5.000,00 en € 12.000,00 te overleggen.
7. De minister heeft op 14 november 2025 gereageerd op de nadere onderbouwing van de schulden. De minister stelt zich op het standpunt dat de schulden van € 5.000,00 en €12.000,00 op grond van de hardheidsclausule ook voor overname in aanmerking komen. De proceskosten komen volgens de minister niet voor vergoeding in aanmerking.
8. De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van de minister te reageren. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
9. Omdat geen van partijen heeft aangegeven een nadere zitting te wensen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de informele schulden van eiser aan zijn broer van € 5.000,00, €12.000,00 en € 30.000,00 voor vergoeding in aanmerking komen op grond van de Wht.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank benadrukt dat zij van de wetgever in artikel 8:41a van de Awb de opdracht heeft gekregen om de aan haar voorgelegde geschillen zoveel mogelijk definitief te beslechten. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wht volgt bovendien dat de schuldenaanpak voor toeslagenouders is gericht op het zo veel mogelijk realiseren van een nieuwe start. Ook mede gezien de feiten en omstandigheden in de zaak, ziet de rechtbank aanleiding deze zaak voor partijen tot een definitief einde te brengen en gebruik te maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank past de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht zelf toe en bepaalt dat de minister de schulden van eiser aan zijn broer van € 5.000,00, € 12.000,00 en € 30.000,00 overneemt. De rechtbank bepaalt verder dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en dat het primaire besluit wordt herroepen.
12. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. De minister moet dit bedrag aan eiser betalen.
13. Hoewel het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat bij een gegrond beroep de proceskosten vergoed worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Pas in de beroepsfase, en voor de twee van de drie schulden pas na zitting in beroep, heeft eiser het bestaan van de informele schulden voldoende onderbouwd. Van eiser, bijgestaan door een professioneel gemachtigde, mocht verwacht worden dat het hem bekend was dat hij zijn verzoek tot overname van schulden gedegen moest onderbouwen. Gelet op de zeer welwillende houding van de minister in deze zaak, concludeert de rechtbank dat het instellen van beroep en een zitting bij de bestuursrechter niet nodig waren geweest indien eiser zijn verzoek tijdig gedegen had onderbouwd. De proceskosten in beroep zijn daarom niet in redelijkheid gemaakt en komen niet voor vergoeding in aanmerking.
14. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt overwogen dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen, omdat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De onjuistheid is te wijten aan eiser, omdat hij ten tijde van het bezwaar niet de juiste informatie heeft verschaft ter onderbouwing van zijn bezwaar, zoals hiervoor reeds uiteen gezet.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 september 2024;
- herroept het besluit van 19 maart 2024;
- bepaalt dat de minister de geldschulden van eiser ter waarde van € 5.000,00, € 12.000,00 en € 30.000,00 overneemt;
- bepaalt dat de minister aan eiser het griffierecht van € 51,00 vergoedt;
- wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.