RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.285148.23 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [2004] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,hierna te noemen: de veroordeelde.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel (hierna: de vordering) is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van 26 november 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
2. VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering ad € 39.119,- toe te wijzen en de betalingsverplichting op dat bedrag vast te stellen, met toepassing van het aantal dagen gijzeling dat met voornoemd bedrag correspondeert indien veroordeelde niet voldoet aan zijn betalingsverplichting. De officier van justitie heeft bij haar vordering de uitgangspunten en berekening uit het rapport tot ontneming van wederrechtelijk voordeel gevolgd. Het daarin berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is het absolute minimum.
Het standpunt van de verdediging
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gedaan op grond van niet onderbouwde aannames die geen steun vinden in het dossier. Primair verzoekt de verdediging de vordering af te wijzen, subsidiair deze op nihil te stellen en meer subsidiair de vordering tot een bedrag van € 240,- toe te wijzen. De meer subsidiaire vordering ziet op een geldbedrag dat veroordeelde eventueel verdiend zou hebben aan afnemers [afnemer 1] en [getuige] .
3. BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 10 december 2025, voor zover van belang, veroordeeld voor -kort gezegd- de handel in verschillende soorten harddrugs in de periode van 23 oktober 2023 tot en met 30 januari 2024. Dit strafbare feit is als volgt gekwalificeerd: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
Overwegingen omtrent de toegepaste berekening van het voordeel
In het vonnis in de strafzaak, gewezen onder hetzelfde parketnummer, heeft de rechtbank wettig en overtuigend bewezen geacht dat veroordeelde de (hoofd)gebruiker was van de onder hem inbeslaggenomen iPhone 13 mini gedurende de bewezenverklaarde periode. Deze telefoon werd door veroordeelde gebruikt voor de drugshandel en deze telefoon werd daar bovendien (vrijwel) uitsluitend voor gebruikt.
In het ontnemingsrapport is uitgelegd waarom de gehanteerde wijze van berekenen van het voordeel is toegepast. Uit het onderzoek in voornoemde telefoon is gebleken dat in deze telefoon een vorm van administratie bijgehouden leek te worden door bedragen in euro’s achter de naam van een contact te zetten. Uit het berichtenverkeer valt op te maken dat dit bedragen zijn die de afnemer moest betalen voor de bestelde drugs. Er werd niet altijd direct betaald. Uit onderzoek in de telefoon blijkt dat de naam van sommige contacten op verschillende achtereenvolgende data steeds opnieuw werd opgeslagen met een nieuw bedrag achter zijn of haar naam,. Ook werden nieuwe bedragen toegevoegd aan de eerdere in de contactnaam opgeslagen bedragen, zo wordt in het ontnemingsrapport uitgelegd.
De rechtbank vindt het aannemelijk dat dit een wijze van het bijhouden van de administratie van de drugshandel door veroordeelde betrof. Dat blijkt voor de rechtbank onder meer uit het volgende. Op de slaapkamer van veroordeelde is tijdens de doorzoeking van zijn woning een briefje met notities aangetroffen . In het daarover opgemaakt proces-verbaal van bevindingen staat onder meer het volgende:
Voorkant notitiebriefje ( […] ): Ik zag dat er dagen op het briefje stonden met aantallen erachter (geturfd) of in cijfers.
Achterkant notitiebriefje ( […] ): Ik zag dat er aantallen, in cijfers, werden aangegeven met daarachter een naam:
100 [afnemer 2]
60 [afnemer 3]
50 [afnemer 4]
30 [afnemer 5]
50 [afnemer 6]
50 [afnemer 7]
250 [afnemer 8]
In de iPhone 13 mini werden al deze namen, op één na, teruggevonden in die telefoon. Het resultaat vanuit de telefoon staat achter de naam:
100 [afnemer 2] : [afnemer 2]
60 [afnemer 3] : [afnemer 3]
50 [afnemer 4] : [afnemer 4]
50 [afnemer 6] : [afnemer 6] 50€
50 [afnemer 7] : [afnemer 7]
250 [afnemer 8] :
Opvallend is dat het cijfer op het briefje bij de naam ‘ [afnemer 6] ’ – ‘50’ – overeenkomt met de naam in de telefoon met het bedrag € 50,- er achter. Aannemelijk is dus dat deze telefoon mede werd gebruikt voor de administratie, maar dat de administratie ook op een andere manier werd bijgehouden die niet in de berekening is meegenomen. Daarbij verdient opmerking dat de veroordeelde geen andere verklaring heeft gegeven voor de manier waarop de contacten in de telefoon werden opgeslagen.
Ook uit de verklaring van afnemer [getuige], welke afnemer de veroordeelde aanwijst als zijn dealer, volgt dat de veroordeelde deze telefoon voor zijn administratie gebruikte. Aan deze getuige wordt voorgehouden dat hij in de betreffende telefoon stond opgeslagen als ‘ [omschrijving] ’ en ‘ [omschrijving] 3 X 50€.’ Hierop geeft de getuige aan dat [A] ook drugs gebruikt en dat de getuige deze naam wel eens heeft genoemd, hetgeen de naam in de telefoon kan verklaren. Hij betaalde bovendien meestal met een tikkie, zo heeft hij verklaard. Verder verklaarde deze getuige onder meer:
“Ik had ook ruzie met hem in verband met geld. Hij zei dat hij nog 150 kreeg. Ik zei 50. Ik heb hem die 150 betaald. Ik wilde geen gezeik.”
De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de telefoon door de veroordeelde ook werd gebruikt als administratie van de drugshandel. Veroordeelde heeft bekend dat hij drugs verkocht aan afnemer [getuige] en diezelfde [getuige] staat in de betreffende telefoon met het bedrag dat de veroordeelde nog tegoed had van die [getuige] .
In het ontnemingsrapport wordt nog het volgende opgemerkt:
Aangezien de telefoon vrijwel uitsluitend werd gebruikt als dealertelefoon is het aannemelijk dat ook overige opgeslagen contacten, zonder genoteerde bedragen achter zijn/haar naam, een of meerdere keren hebben geleid tot een deal. Daarnaast is niet ondenkbaar dat de afnemers bij wie bedragen achter de naam zijn opgeslagen in totaal (veel) meer hebben betaald, (vaker of meer drugs hebben afgenomen) dan het genoteerde bedrag, omdat in het geval van directe of volledige betaling door de afnemer vermoedelijk geen bedrag achter de naam werd genoteerd. Ook is bij twijfel of een contact een dubbeling betrof en niet een opnieuw opgeslagen contact met een nieuw bedrag het genoteerde bedrag maar 1 keer meegeteld.”
Het ontnemingsrapport geeft er blijk van dat de berekening van het voordeel op grond van de gebruikte methode met grote behoedzaamheid is uitgevoerd. De rechtbank kan het goed volgen dat in het ontnemingsrapport is vermeld dat het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel als absoluut minimum moet worden beschouwd, zoals ook ter zitting is aangevoerd door de officier van justitie.
Bruto opbrengst
Hoewel er aanwijzingen zijn dat er ook op andere manieren dan met contant geld werd betaald door afnemers, is in de berekening alleen uitgegaan van contante opbrengsten. In de betreffende telefoon, waarvan al is vastgesteld dat deze vrijwel uitsluitend is gebruikt voor drugshandel, zijn 4.395 contacten aangetroffen. Voor de berekening van het voordeel is uitsluitend acht geslagen op de namen/contacten waar één of meer geldbedragen bij vermeld staan, te weten 597 contacten. Op grond van deze uitgangspunten is de totale geschatte bruto opbrengst € 99.288,-.
Kosten
Door de veroordeelde is niets naar voren gebracht over door hem gemaakte kosten. Uit het dossier volgt dat de veroordeelde in diverse soorten harddrugs handelde. Desondanks is in het ontnemingsrapport – in het voordeel van de veroordeelde – uitgegaan van de harddrug met de hoogste inkoopprijs: cocaïne. De berekening van de kosten is gedaan aan de hand van het ‘Drugsprijzen jaaroverzicht 2023’ en de gemiddelde kosten zijn dan 60,6 % van de (bruto) opbrengst. De hoogte van de kosten is dan € 60.168,53 (60,6 % van € 99.288,-).
Netto opbrengst
Op grond van voornoemde uitgangspunten is de netto opbrengst die aan de hand van de administratie van de betreffende telefoon kan worden berekend: € 39.119,47 (€ 99.288,- minus € 60.168,53).
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft de veroordeelde veroordeeld voor het medeplegen van de handel in harddrugs. Hoewel de berekening van het voordeel, als gezegd, al uiterst behoedzaam is uitgevoerd, zal de rechtbank voornoemde netto opbrengst nog eens halveren. De veroordeelde handelde niet alleen en het is aannemelijk dat hij – hoewel hij daar zelf niets over heeft verklaard – met een ander de opbrengst deelde.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt geschat vast op € 19.559,74.
Betalingsverplichting
Verbeurdverklaring
De rechtbank heeft in de onderliggende strafzaak een geldbedrag van € 115,- verbeurd verklaard. De rechtbank zal voornoemd bedrag in mindering brengen op het aan de staat te betalen bedrag.
Overweging draagkracht
De rechtbank merkt allereerst op dat de draagkracht van de veroordeelde in beginsel pas aan de orde dient te worden gesteld in de executiefase. In de ontnemingsprocedure kan de draagkracht slechts reden zijn tot matiging van de betalingsverplichting wanneer het de rechtbank op het moment van beoordeling meteen duidelijk is dat de veroordeelde op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. De rechtbank verwerpt het (overigens niet nader onderbouwde) verweer van de raadsman nu vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.
De rechtbank constateert bovendien dat er conservatoir beslag is gelegd op – onder meer – diverse rechten aan toonder. De gezamenlijke waarde van het conservatoir beslag zal de betalingsverplichting van de veroordeelde in de executiefase nog aanzienlijk verlichten.
De rechtbank stelt het bedrag dat door de veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 19.444,74 (€ 19.559,74 minus € 115,-).
4. TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 19.559,74;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 19.444,74 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 388 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. J.A. Koorevaar en
mr. S.M.E. Hirdes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.