RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/561382 / FO RK 23-992
Gezag en omgang
Beschikking van 12 december 2025
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A. van den Berg,
tegen
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.H. Remmelink.
1. De procedure
De rechtbank heeft op 15 december 2023, 11 maart 2024 en 17 februari 2025 eerdere beschikkingen gegeven. Voor het verloop van de procedure tot 17 februari 2025 verwijst de rechtbank naar die beschikkingen.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier (met bijlagen) van de moeder van 4 juli 2025;
het e-mailbericht (met bijlage) van [instelling 1] van 30 juli 2025;
een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 8 augustus 2025.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de vader;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[A] namens de Raad.
De vader heeft wel een uitnodiging van de rechtbank gekregen maar is niet gekomen.
De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige 1 (voornaam)] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige 1 (voornaam)] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven. Wel heeft de moeder tijdens de zitting een kort briefje van [minderjarige 1 (voornaam)] voorgelezen.
2. Waar de procedure over gaat
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige 1], geboren op [2014] in [geboorteplaats] . [minderjarige 1 (voornaam)] woont bij de moeder.
De moeder heeft nog een kind: [minderjarige 2], geboren op [2016] in [geboorteplaats] .
De vader heeft de Litouwse nationaliteit. De moeder en [minderjarige 1 (voornaam)] hebben de Nederlandse nationaliteit.
De vader heeft [minderjarige 1 (voornaam)] erkend en hij heeft op [2014] het gezag samen met de moeder verkregen. Bij beschikking van 24 oktober 2019 van deze rechtbank is het gezamenlijk gezag beëindigd. De moeder heeft nu alleen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] .
In de periode 28 april 2016 tot 28 april 2020 gold er een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1 (voornaam)] .
Bij beschikking van 15 december 2023 zijn de ouders doorverwezen via het Uniform Hulpaanbod naar een hulpverleningstraject. De beslissing over de omgangsregeling en de informatieregeling is aangehouden tot 1 juli 2024 in afwachting van de rapportage van de hulpverlener. Ook is de beslissing op het verzoek tot kinderalimentatie aangehouden.
Bij beschikking van 11 maart 2024 heeft de rechtbank beslist dat de vader vanaf 1 december 2023 € 76,- per maand moet betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] .
Het Uniform Hulpaanbod is niet geslaagd. Bij beschikking van 17 februari 2025 zijn de ouders opnieuw doorverwezen via het Uniform Hulpaanbod. De beslissing over de omgangsregeling en de informatieregeling is aangehouden tot 1 september 2025. Het Uniform Hulpaanbod is opnieuw niet geslaagd.
De rechtbank dient nog te beslissen op het verzoek van de vader om te bepalen dat:
de vader, na een periode van opbouw, gerechtigd is tot omgang met [minderjarige 1 (voornaam)] gedurende een weekend in de twee weken van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur, alsmede gedurende de helft van de feest- en vakantiedagen, dan wel, een omgangsregeling vast te leggen die de rechtbank in goede justitie geboden acht;
er een informatieplicht vastgesteld wordt waarbij de moeder maandelijks informatie aan de vader dient te verstrekken omtrent de voortgang en de ontwikkeling betreffende [minderjarige 1 (voornaam)] , inclusief het verstrekken van foto’s.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij vraagt de rechtbank om de verzoeken van de vader integraal af te wijzen.
3. De beoordeling
De rechtbank zal bepalen dat de moeder één keer per maand informatie over de voortgang en de ontwikkeling van [minderjarige 1 (voornaam)] , inclusief foto’s, zal sturen aan de vader. Het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling van de vader wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Omgangsregeling
De rechtbank heeft bij hoge uitzondering de ouders twee keer via het Uniform Hulpaanbod doorverwezen naar hulpverlening. Er heeft zowel begeleide als onbegeleide omgang plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)] . Het traject is helaas opnieuw niet geslaagd en inmiddels heeft [minderjarige 1 (voornaam)] sinds juni 2025 geen contact meer met de vader. Op de zitting heeft de advocaat van de vader toegelicht dat de vader dialectische gedragstherapie (DGT) bij [instelling 2] gaat volgen. Ter voorbereiding hiervan heeft de vader opnieuw contact gezocht met [instelling 3] en laat hij zich (ook) daar behandelen.
Anders dan de advocaat van de vader heeft verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding om de Raad een onderzoek te laten doen. Volgens de rechtbank is voldoende bekend wat de problematiek in deze zaak is. De vader kan in goede periodes contact hebben met [minderjarige 1 (voornaam)] . Dit contact verloopt goed en zowel de vader als [minderjarige 1 (voornaam)] vinden het fijn en genieten van elkaar. De vader valt echter telkens terug in zijn alcoholverslaving. Het lukt hem dan niet goed om afspraken na te komen en doet dreigende en beledigende uitspraken naar de moeder. Dit patroon is nog steeds niet doorbroken. De rechtbank vindt het positief dat de vader nu zijn onderliggende problematiek wil aangaan via de DGT-therapie. De rechtbank vindt het wel belangrijk dat de vader eerst langdurig stabiel moet zijn en niet moet terugvallen bij een tegenslag. Als dit de vader lukt, dan kan hij te zijner tijd weer contact opnemen met de moeder, om in overleg met haar het contact te herstellen. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij open staat voor contact, maar dat ze het wel vervelend vindt dat [minderjarige 1 (voornaam)] telkens wordt teleurgesteld. De rechtbank is het eens dat verdere teleurstellingen bij [minderjarige 1 (voornaam)] moeten worden voorkomen. Nu er geen zicht is op het verloop van het herstel van de vader, of dit herstel blijvend zal zijn en [minderjarige 1 (voornaam)] zelf ook heeft aangegeven dat hij geen contact wil hebben met de vader, kan de rechtbank op dit moment geen omgangsregeling vaststellen.
Informatieregeling
Volgens de wet is de moeder, als ouder met gezag, verplicht om de vader, de ouder zonder gezag, op de hoogte te houden van belangrijke zaken in het leven van [minderjarige 1 (voornaam)] . De moeder heeft op de zitting gezegd dat zij bereid is om de vader maandelijks te informeren over [minderjarige 1 (voornaam)] en daarbij ook foto’s te sturen. Zij heeft wel aangegeven dat zij geen bedreigende of beledigende reacties wil ontvangen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de informatieregeling vervalt op het moment dat de vader vervelend reageert op de informatieverstrekking van de moeder.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling;
bepaalt dat de moeder een keer per maand informatie aan de vader dient te verstrekken omtrent de voortgang en de ontwikkeling betreffende [minderjarige 1 (voornaam)] , inclusief het verstrekken van foto’s;
bepaalt dat de onder 4.2 genoemde informatieregeling vervalt als de vader vervelend reageert op de informatieverstrekking door de moeder.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, (kinder)rechter in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.