RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2816
[eiser] te [plaats] , eiser,
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat het college niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om openbaarmaking van documenten die gaan over – kort gezegd – het onderhoud en beheer van het [locatie] in Bilthoven. Het verzoek is op 18 februari 2025 ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 28 mei 2025 heeft het college alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek en daarbij documenten openbaar gemaakt.
Eiser heeft het beroep niet ingetrokken, omdat hij vindt dat de rechtbank het college moet opdragen om nadere actie te ondernemen naar aanleiding van de inhoud van het besluit van 28 mei 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een Woo-verzoek kan de aanvrager daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft het college echter wel een besluit genomen. Het college heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Eiser kan met het beroep dus niets meer bereiken en dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
3. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
4. Eiser heeft zijn beroep niet ingetrokken. Hij bevestigt in zijn brief van 16 juni 2025 dat het Woo-verzoek nu in zijn geheel is afgehandeld, maar hij wil dat de rechtbank het college opdraagt om de zienswijzenota, die hoort bij de Ontwerp-wegenlegger De Bilt 2024 die ter besluitvorming voorligt bij de provincie Utrecht, aan te passen. Uit het besluit van 28 mei 2025 blijkt dat er geen onderhoudsovereenkomst met de bewoners is gesloten over het beheer of het onderhoud van het [locatie] . Volgens eiser staat dit anders vermeld in de zienswijzenota en dat moet nu dan ook worden gewijzigd volgens hem.
5. De rechtbank stelt vast dat er in dit geval geen beroep van rechtswege is ontstaan tegen het besluit van 28 mei 2025, omdat dit besluit geheel tegemoet komt aan het beroep. Eiser heeft dat ook erkend. Hij heeft daarom geen belang meer bij beoordeling van dat besluit. Er zijn ook geen beroepsgronden tegen gericht. Eiser wil in deze beroepsprocedure bereiken dat de rechtbank het college opdraagt om de zienswijzenota aan te passen, maar dat valt buiten de reikwijdte van zijn Woo-verzoek en buiten de reikwijdte artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Ook het nieuwe Woo-verzoek waarover eiser het in zijn e-mailbericht van 28 juli 2025 heeft, kan niet in deze beroepsprocedure worden behandeld. Deze beroepsprocedure vloeit voort uit het Woo-verzoek van eiser van 18 februari 2025 en kan ook alleen maar over de afhandeling van dat verzoek gaan. Voor alle andere verzoeken en aanvragen moet eiser zich wenden tot het college.
6. Het beroep van eiser is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Op het moment dat eiser beroep instelde, had het college nog niet op het Woo-verzoek beslist terwijl dat het college dat toen al wel had moeten doen. Daarover zijn partijen het eens. Eiser heeft het beroep dus op dat moment terecht ingediend en daarom moet het college het griffierecht ter hoogte van € 194,- aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.