[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, het college
(gemachtigde: mr. H. Pasveer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats]
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten.
Sinds 2017 was er op het perceel van [derde belanghebbende] ( [derde belanghebbende] ) aan de [adres] in [plaats] (het perceel) een toiletwagenverhuurbedrijf gevestigd. Er stond een loods met een oppervlakte van circa 236 m² op dit perceel ten behoeve van dit bedrijf. Verder werden er buiten op het perceel toiletwagens opgeslagen, getransporteerd, gerepareerd, onderhouden en schoongemaakt.
Verzoekers hebben op 25 oktober 2023 een handhavingsverzoek bij het college ingediend, omdat zij geluidsoverlast van dit toiletwagenverhuurbedrijf ondervonden. Op 7 oktober 2024 heeft het college een last onder dwangsom aan [derde belanghebbende] opgelegd. Op 11 juni 2025 heeft het college deze last onder dwangsom ingetrokken en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd. Op dezelfde datum hebben verzoekers in verband met deze laatste last onder dwangsom een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Het college heeft op 2 september 2025 een “herstelbesluit last onder dwangsom” opgelegd waarna verzoekers hun verzoek om voorlopige voorziening hebben ingetrokken. Verzoekers hebben na de intrekking verzocht om een proceskostenveroordeling, maar de voorzieningenrechter heeft dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat zo’n verzoek tegelijk met de intrekking moet worden gedaan.
Uit een brief van 16 september 2025 van het college bleek dat het “herstelbesluit” van 2 september 2025 een concept besluit was en dat er op 23 september 2025 een definitief herstelbesluit zou volgen.
Vervolgens hebben verzoekers de rechtbank op 18 september 2025 opnieuw om een voorlopige voorziening verzocht, omdat de last onder dwangsom van 11 juni 2025 nog steeds gold.
Het college heeft op 23 september 2025 een nieuw besluit genomen waarin aan [derde belanghebbende] een last onder dwangsom is opgelegd. [derde belanghebbende] moet de gehele loods van zijn perceel verwijderen en verwijderd houden en de bedrijfsactiviteiten op het perceel beëindigen en beëindigd houden.
Verzoekers hebben vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Verzoekers hebben daarbij verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Het college heeft op 21 oktober 2025 op dit verzoek gereageerd. Volgens het college is er geen grond voor een proceskostenveroordeling. Verzoekers hebben hier op 28 oktober 2025 op gereageerd.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van ‘tegemoetkomen’ en dat verzoekers daarom geen recht hebben op een proceskostenvergoeding. Dat legt de rechtbank hierna uit.
5. In het verzoek om een voorlopige voorziening van 18 september 2015 schrijven verzoekers dat er met het besluit van 11 juni 2025 geen last onder dwangsom geldt voor de bedrijfsactiviteiten, dat de begunstigingstermijn is verstreken en er inmiddels een dwangsom is verbeurd vanwege het niet geheel verwijderen van de loods en het niet geheel staken van de bedrijfsactiviteiten, en dat zij daarom belang hebben bij een voorlopige voorziening.
6. Met het besluit van 23 september 2025 heeft het college aan derde-partij een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat hij de gehele loods van zijn perceel moet verwijderen en verwijderd dient te houden en de bedrijfsactiviteiten op het perceel moet beëindigen en beëindigd dient te houden. Hiermee is het college niet tegemoetgekomen gekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening van 18 september 2015. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb als het bestuursorgaan het door verzoeker gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt. Tegemoetkomen houdt dus in dat het college naar aanleiding van het verzoekschrift (deels) het standpunt inneemt dat verzoekers willen. Dat is hier niet gebeurd. Met het besluit van 23 september 2025 heeft het college überhaupt geen standpunt ingenomen over het wel of niet verbeuren van dwangsommen. De rechtbank is het verder met het college eens dat uit het besluit van 11 juni 2025 ook al volgt dat derde-partij de bedrijfsactiviteiten moet staken en gestaakt moet houden. Dat is dus geen nieuw standpunt.
7. In de reactie van 28 oktober 2025 heeft verzoeker er nog op gewezen dat zijn handhavingsverzoek ook ziet op het stallen van vouwwagens op het perceel. Ook als dat zo zou zijn, valt niet in te zien waarom dat relevant is voor het verzoek om een proceskostenvergoeding. Verzoekers hebben dit niet genoemd in hun verzoek om een voorlopige voorziening en het besluit van 23 september 2025 gaat hier niet over. Ook dit kan dus niet leiden tot de conclusie dat het college met het dat besluit aan verzoekers tegemoet is gekomen.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten dus af. Het college hoeft ook het door verzoekers betaalde griffierecht niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.