RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602584 / KG ZA 25-574
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in het kort geding van 3 december 2025
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1] c.s.,
advocaat: mr. M.K.W. van den Berg,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door: middellijk bestuurders [A] en [B] .
1. De procedure
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 22 producties, - de pleitnota van [eiseres sub 1] c.s.,
- de pleitnota van [gedaagde] .
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan zijn hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.
2. De kern van de zaak
[eiser sub 2] dreef tot begin 2024 via zijn eenmanszaak genaamd [onderneming 1] een webshop met dezelfde naam. Op 28 november 2023 heeft [eiser sub 2] met zijn eenmanszaak een overeenkomst gesloten met [gedaagde] voor het bouwen van een nieuwe website. Begin 2024 heeft [eiser sub 2] zijn eenmanszaak ingebracht in de besloten vennootschap, genaamd [eiseres sub 1] BV en de webshop via deze BV voortgezet.
De website die [gedaagde] in opdracht van [eiseres sub 1] dan wel [eiser sub 2] heeft gebouwd, is volgens [eiseres sub 1] c.s. niet deugdelijk opgeleverd en vertoont nog steeds gebreken. [eiseres sub 1] c.s. wil de website daarom door een derde laten opknappen en daarvoor een voorschot op vervangende schadevergoeding. Daarvoor is nodig dat [gedaagde] die derde toegang geeft tot de website, servers en verschillende applicaties en het beheer over de hosting en de domeinnamen. [gedaagde] is van mening dat zij dat niet hoeft te doen.
3. De beoordeling
Een groot deel van de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. ga ik toewijzen. Ik zal uitleggen waarom.
[eiseres sub 1] c.s. heeft [gedaagde] opdracht gegeven om in 2024 een nieuwe website te bouwen voor haar webshop. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat er vertraging is ontstaan en dat de website in december 2024 nog steeds niet klaar was, maar wel live is gegaan. Sindsdien zijn er volgens haar steeds problemen geweest met de nieuwe website. [gedaagde] heeft gezegd dat ze die problemen zou oplossen, maar dat is niet gelukt. Uiteindelijk was de maat vol voor [eiseres sub 1] c.s. en heeft zij een advocaat ingeschakeld. Die heeft op 20 oktober 2025 een ingebrekestelling gestuurd en [gedaagde] gesommeerd om binnen een week aan te geven of zij de overeenkomst alsnog zou nakomen en de gebreken zou herstellen. Daar heeft [gedaagde] niet aan voldaan, waarop [eiseres sub 1] c.s. een omzettingsverklaring heeft gestuurd. Daarin heeft zij meegedeeld dat ze geen nakoming meer wil, maar dat zij een derde gaat inschakelen om de problemen met de website op te lossen en dat ze vervangende schadevergoeding zal vorderen.
In dit kort geding vordert [eiseres sub 1] c.s. - samengevat - drie voorlopige voorzieningen:
I veroordeling van [gedaagde] om eraan mee te werken dat een derde in staat wordt gesteld om de website van de webshop af te maken,
II betaling van een voorschot op vervangende schadevergoeding,
III veroordeling van [gedaagde] om eraan mee te werken dat het beheer van de hosting en de domeinnamen in de macht komen van een derde.
Voor toewijzing van een voorlopige voorziening in een kort geding gelden de volgende twee vereisten:
1. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de eisende partij op korte termijn een beslissing nodig heeft van de voorzieningenrechter omdat de beslissing in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
2. Het moet - op basis van de informatie die de voorzieningenrechter heeft - aannemelijk zijn dat de bodemrechter de vorderingen in een bodemprocedure als definitieve voorzieningen zou toewijzen.
Hierna zal ik per vordering beoordelen of aan deze vereisten voldaan is.
Vordering I: [gedaagde] moet eraan meewerken dat een derde in staat wordt gesteld om de website van de webshop af te maken
[eiseres sub 1] c.s heeft voldoende gesteld om spoedeisend belang bij deze vordering aan te nemen. De website loopt al een jaar niet goed. [eiseres sub 1] c.s. heeft veel geduld gehad en [gedaagde] al die tijd de gelegenheid gegeven om de website te laten voldoen aan de afspraken. Inmiddels is er meer dan een maand verstreken na de omzettingsverklaring van [eiseres sub 1] c.s en zij moet door kunnen met haar webshop. In deze periode van het jaar maakt de webshop normaal gesproken de meeste omzet.
Ook is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter deze vordering zal toewijzen. [gedaagde] voert namelijk slechts twee verweren:
[gedaagde] heeft een overeenkomst gesloten met [eiser sub 2] en niet met [eiseres sub 1] .
Er zijn geen tekortkomingen.
En die slagen allebei niet.
Wat betreft het eerste verweer laat ik in het midden met wie [gedaagde] de overeenkomst voor het bouwen van een nieuwe website heeft gesloten. Als dit verweer zou slagen dan heeft [gedaagde] altijd nog te maken met [eiser sub 2] en die is in deze procedure ook eiser. Voor het al dan niet toewijzen van de vorderingen in dit kort geding maakt het dus niet uit met wie de overeenkomst is gesloten.
Het tweede verweer hoor ik vandaag voor het eerst. Ik zie dat [eiseres sub 1] c.s. met de ingebrekestelling van 20 oktober 2025 drie bijlagen heeft meegestuurd waarin alle tekortkomingen zijn genoemd:
Overzicht van niet geleverde of juist werkende functionaliteiten initiële overeenkomst
Overzicht van niet geleverde of juist werkende functionaliteiten meerwerk overeenkomst
Overzicht van op dit moment geconstateerde bugs (welke lijst dagelijks wordt aangevuld)
Die overzichten zijn ook in deze procedure ingebracht. Daarmee ligt er aan de kant van [eiseres sub 1] c.s een uitgebreid verhaal over het slecht functioneren van de website met een opsomming van concrete punten waarop niet voldaan is aan de afgesproken functionaliteiten. [gedaagde] , aan de andere kant, stelt daar niets tegenover. Het enige dat ze erover zegt, ik verwijs naar de spreekaantekeningen, is|: “De tekortkomingen welke genoemd worden in producties 5, 6 en 7 worden weldegelijk betwist door [gedaagde] maar zij vind dat geen aspect voor een behandeling in een kort geding”. Een kort geding is inderdaad niet de plek voor een uitgebreide discussie over het wel of niet voldoen aan de opdracht op talloze punten. Maar, ik moet wel voorshands beoordelen wat de bodemrechter daarvan zal vinden en daarbij moet ik het doen met de stukken en de informatie die ik van de partijen heb gekregen. Dan constateer ik dat de ene partij heel veel met veel detail heeft aangevoerd en de andere partij helemaal niets. Daarom moet ik nu ervan uitgaan dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres sub 1] c.s. terecht stelt dat [gedaagde] haar verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen. En dat zij dus terecht haar recht op nakoming heeft omgezet in vervangende schadevergoeding en dat [gedaagde] daarom nu alle medewerking moet verlenen om een derde in staat te stellen de website af te maken.
Er is door [gedaagde] tijdens de zitting ook nog iets gezegd over intellectueel eigendom en dat voor overdracht daarvan moet worden betaald. Toewijzing van deze vordering leidt niet tot overdracht van intellectuele eigendomsrechten. Het resultaat is dat een derde toegang krijgt tot de website, servers en andere applicaties en daardoor in staat is om te doen wat [gedaagde] op grond van de overeenkomst had moeten doen, namelijk de overeengekomen functionaliteiten afbouwen.
Deze vordering wordt dus toegewezen, in de formulering zoals gevorderd, omdat er niet op specifieke onderdelen verweer is gevoerd.
Vordering II: [gedaagde] moet een voorschot op de vervangende schadevergoeding betalen, maar een minder hoog bedrag dan het primair gevorderde bedrag
[eiseres sub 1] c.s. vordert betaling van primair een bedrag van € 39.204 en subsidiair een bedrag van € 10.470 (ex BTW) als voorschot op de vervangende schadevergoeding. Daarnaast vordert zij de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 5 november 2025. Ik zal het subsidiair gevorderde bedrag toewijzen, zonder wettelijke rente.
Voor deze vordering is van belang dat [eiseres sub 1] c.s heeft aangevoerd dat haar situatie op het moment zo slecht is dat zij niet voldoende geld heeft om een derde te betalen om de website af te maken. Dat komt doordat zij al een groot bedrag, zo’n € 60.000, aan [gedaagde] heeft betaald en doordat haar omzet is gedaald vanwege de slecht functionerende website. Daarmee is het spoedeisend belang bij deze vordering voldoende onderbouwd.
Verder verwacht ik dat de bodemrechter de vervangende schadevergoeding zal toewijzen, omdat – ik verwijs naar wat ik net heb gezegd – aannemelijk is dat sprake is van een tekortkoming en een terechte omzetting. Toch wijs ik niet het primair gevorderde voorschotbedrag toe. Dat komt omdat ik bij het wel of niet toewijzen van een geldvordering in kort geding ook rekening moet houden met het restitutierisico. Daar is weliswaar geen verweer op gevoerd, maar dit weegt toch mee bij mijn beslissing. Uit het verhaal van [eiseres sub 1] c.s. leid ik af dat de financiële situatie niet goed is. Daarom is er een grote kans dat [eiseres sub 1] c.s. het voorschot niet of niet helemaal terug zal kunnen betalen, als de bodemrechter oordeelt dat er geen recht op vervangende schadevergoeding is. [gedaagde] moet die discussie nog wel kunnen voeren bij de bodemrechter. Daarom wijs ik als voorschot toe het subsidiair gevorderde bedrag. De wettelijke rente die is gevorderd wijs ik af, omdat het om een voorschot gaat.
Vordering III: [gedaagde] moet eraan meewerken dat het beheer van de hosting en de domeinnamen in de macht komen van een derde
Het gaat er bij deze vordering om dat een derde het beheer krijgt over de hosting en de doeminnamen. Het is voldoende duidelijk dat er spoed is bij deze vordering. [eiseres sub 1] c.s. heeft er belang bij dat ze hierover kan beschikken. Ik acht het verder aannemelijk dat de bodemrechter op basis van de op dit moment beschikbare informatie tot het oordeel zal komen dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van [gedaagde] en daarom ook deze vordering zal toewijzen. Ook deze vordering wordt dus toegewezen, in de formulering zoals gevorderd, omdat er niet op specifieke onderdelen verweer is gevoerd.
Buitengerechtelijke kosten
Aan de mails van mr. Van den Berg kan ik zien dat er is geprobeerd om het geschil buiten rechte op te lossen. De kosten die daarvoor zijn gemaakt komen op grond van bepaling 3.3. van het rapport BGK-integraal 2013 voor vergoeding in aanmerking. Voor handelszaken geldt een vergoeding van € 925. Ik wijs de vordering tot dat bedrag toe.
Proceskosten
[eiseres sub 1] c.s. krijgt in deze procedure grotendeels gelijk. [gedaagde] moet daarom haar proceskosten betalen. De proceskosten aan de kant van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddelde zaak)
- nakosten € 178,00 (plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.399,40
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na de datum van dit vonnis:
• [onderneming 2] B.V. dan wel een andere door [eiseres sub 1] / [eiser sub 2] aan te wijzen partij, toegang
te verlenen tot de server waar de applicaties (inclusief staging) van [eiseres sub 1] / [eiser sub 2]
(waaronder die van [website] ( [website] ), de website voor buitenlandse
transacties) op draaien via SSH (waarvoor [onderneming 2] haar public keys kan delen)
alsmede toegang tot de databaseserver en beheer/mailserver van [eiseres sub 1] / [website] ;
• [onderneming 2] B.V. dan wel een andere door [eiseres sub 1] / [eiser sub 2] aan te wijzen partij,
schrijftoegang tot de repositories van [eiseres sub 1] en [website] in Bitbucket te verlenen;
• Op iedere andere benodigde wijze medewerking te verlenen teneinde toegang
tot de website (van [eiseres sub 1] en [website] ) voor de derde mogelijk te maken.
zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] dan wel [eiser sub 2], van een bedrag van € 10.470,00 (ex BTW) als voorschot op de vervangende schadevergoeding;
veroordeelt [gedaagde] medewerking te verlenen aan de overdracht aan [onderneming 2] B.V. (dan wel een andere door [eiseres sub 1] / [eiser sub 2] aan te geven partij) van de hosting en domeinnamen van alle domeinnamen van [eiseres sub 1] / [eiser sub 2] die thans bij [gedaagde] in beheer zijn en die (onder meer) volgen uit de inschrijving bij de KVK (productie 1), door onder meer:
• [onderneming 2] de verhuistoken van de domeinnamen te verschaffen;
• [onderneming 2] een uitdraai van de huidige DNS-records per domeinnaam te verschaffen;
• [onderneming 2] toegang te verschaffen tot alle servers waar de applicaties op draaien en ook de databaseserver en beheer, via SSH (waarvoor [onderneming 2] haar public keys hiervoor kan delen) en eventueel DirectAdmin indien beschikbaar;
• [onderneming 2] in staat te stellen tot het beheer van de mailserver van [eiseres sub 1] en [website] bij Google en al hetgeen te doen wat nodig is voor deze overdracht;
• Alle overige benodigde medewerking te verlenen teneinde de overdracht van de hosting en domeinnamen te bewerkstelligen;
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000;
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan [eiseres sub 1] / [eiser sub 2] van de buitengerechtelijke kosten van € 925;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.399,40, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.