ECLI:NL:RBMNE:2025:6666

ECLI:NL:RBMNE:2025:6666, Rechtbank Midden-Nederland, 09-12-2025, 602054

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer 602054
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bekrachtiging / vervallen verklaring schriftelijke verklaring. Juridisch gemachtigde; verzoek tot het bevelen van de GI tot nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummers: C/16/602054 / JE RK 25/1664, C/16/602550 / JE RK 25-1715, en C/16/603609 / JE RK 25/1823

Datum uitspraak: 9 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over schriftelijke aanwijzingen

in de zaken van

C/16/602054 / JE RK 25/1664 en C/16/603609 / JE RK 25/1823:

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de GI,

en

C/16/602550 / JE RK 25-1715:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

gemachtigde: F. Bos,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1]

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2]

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. J. van Vonderen-Jagersma.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

in de zaak C/16/602054 / JE RK 25/1664: het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 november 2025 en de bijlagen van de GI ontvangen op 5 en 17 november 2025;

in de zaak C/16/602550 / JE RK 25-1715: het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 13 november 2025;

in de zaak C/16/603609 / JE RK 25/1823: het verzoekschrift van de GI, ontvangen op 4 december 2025;

het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 17 november 2025;

de berichten van de moeder van 5 december 2025 en 8 december 2025;

de reactie van de vader op de verzoeken van de GI en de moeder, het begeleidend bericht en bijlagen van 5 december 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar gemachtigde de heer J. Bos;

de vader met zijn advocaat;

- [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . een vertegenwoordigsters van de GI.

De heer Bos heeft op de zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

In de beschikking van 1 december 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 1 september 2026.

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 augustus 2025 is de volgende zorgregeling vastgesteld: “ [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader thuis. Dit wordt binnen een halfjaar onder regie van de GI opgebouwd naar een week-op-week-afregeling, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag uit school.”

De GI heeft op 30 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:

“- Je bent aanwezig bij het startmoment (zolang Spoor030 dit in het belang van de kinderen acht) om van daaruit samen met Spoor030 de kinderen te begeleiden naar de omgangslocatie.

- Je hebt met Spoor030 wekelijks een vast moment voor een hulpverleningsgesprek ruim voor de omgang. Het is belangrijk dat de hulpverleningsgesprekken een op een met jou plaatsvinden. Een vertrouwenspersoon kan hierbij niet aanwezig zijn. Je komt deze afspraak na. Mocht je onverhoopt verhinderd zijn, neem je het initiatief om de afspraak op een haalbaar tijdstip in dezelfde week door te laten gaan.

- Je komt de zorgregeling na zoals door de rechtbank is vastgelegd in de beschikking van 15 augustus 2025.”

De GI heeft op 4 december 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:

“* dat jij als moeder zorgdraagt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesprekken hebben met de behandelaars van Spoor030 in de aanloop naar contactherstel met hun vader en in het kader van de trauma-inventarisatie.

Aanvullende aanwijzingen voor moeder die eerder genoemd zijn in de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025:

* jij wekelijks een begeleidingsgesprek hebt met de behandelaars van Spoor030 om ruimte te creëren in woord en daad, zodat de kinderen in contact kunnen en mogen gaan met hun vader.

* Jij als moeder begeleidt de kinderen naar het overdrachtsmoment en bespreekt met Spoor030 hoe je dit kan doen.”

3. De verzoeken

De GI verzoekt in de procedure met nummer C/16/602054 / JE RK 25/1664 bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025. Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd. Zij bepleit in deze procedure – samengevat – om de GI niet te ontvangen in het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, dan wel dit verzoek af te wijzen. Verder verzoekt zij met een beroep op artikel 3:296 BW de GI te bevelen de schriftelijke aanwijzing in te trekken of de werking van de schriftelijke aanwijzing te schorsen.

De moeder verzoekt in de procedure met nummer C/16/602550 / JE RK 25-1715 samengevat – vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025. De moeder heeft daarnaast in die procedure nog een aantal verzoeken ingediend die letterlijk als volgt luiden, citaat:

‘Primair: Met een beroep op artikel 3:296 BW verzoekt moeder uw rechtbank om Samen veilig Midden Nederland (SAVE) te bevelen en veroordelen:

A. In de uitvoering van de ondertoezichtstelling onverminderd en duurzaam te voldoen aan de plichten die volgen uit artikel 4.1.1.1 Jw, te weten het “verlenen [van] verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en clientgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder”;

een en ander in verbinding met - de directe horizontale werking van – artikel 19.1 IVRK, specifiek de bescherming tegen nalatige behandeling en artikel 3.1. IVRK, de belangen van het kind de eerste overweging laten zijn;

B. Juncto artikel 4.1.1.3. Jw, te weten: “de hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard” in verbinding met onder meer maar wel in het bijzonder de toelichting op artikel 2 van de Beroepscode voor Professionals in Sociaal Werk: “Professionals zijn zich bewust van de grenzen van hun eigen vakbekwaamheid. Wanneer de grens van de eigen deskundigheid is bereikt, reageren professionals op passende wijze door expertkennis actief te betrekken of door te verwijzen naar een professional die beter aansluit bij de specifieke ondersteuningsvraag”;

Alsmede de rechten te respecteren die de kinderen hieraan mogen ontlenen.

B. (sic) Door bij het vervolg van de uitvoering van de ondertoezichtstelling onder meer (maar niet beperkt tot) het tijdelijk opschorten van de uitvoering van de zorgregeling zoals die is vastgesteld door uw rechtbank op 15 augustus 2025 teneinde:

(i) een externe onafhankelijk deskundige te kunnen betrekken die toeziet op het verdere verloop van de ondertoezichtstelling in het algemeen en de uitvoering van de zorgregeling in het bijzonder;

(ii) met spoed en dus op zeer korte termijn doen laten uitvoeren van een trauma-analyse bij de minderjarigen door een hierin gespecialiseerde externe professional;

(iii) met de in het psycho-diagnostisch onderzoeksrapport van de RvdK voorgestelde systemische aanpak aanvang te maken door middel van het doen laten uitvoeren van een zogenoemde Verklarende Analyse <1> volgens de methode van Molendrift;

C. Tot betaling van een dwangsom, waarvan de hoogte door uw rechtbank vast te stellen, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat SAVE met de gehele of gedeeltelijke nakoming van voornoemde bevelen in gebreke is:

Dan wel subsidiair: ex. Artikel 810a, tweede lid R een deskundige te benoemen en deze te belasten met de onder (ii) en (iii) genoemde taken en verantwoordelijkheden;

Een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.’ Einde citaat.

De GI verzoekt in de procedure met nummer C/16/603609 / JE RK 25/1823 bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025.

4. De standpunten

De moeder

De moeder vindt dat de GI de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025 onvoldoende heeft aangekondigd, waarbij zij erop wijst dat de inhoud van de schriftelijke aanwijzing verschilt van de vooraankondiging. Daarbij stelt zij dat de GI de schriftelijke aanwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd. De moeder heeft het vermoeden dat de GI om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing vraagt om de weg vrij te maken voor een uithuisplaatsing. Zij vindt dat de schriftelijke aanwijzing daar niet voor is. Bovendien zegt de moeder dat een schriftelijke aanwijzing niet nodig is omdat zij meewerkt. De moeder wil de zorgregeling nakomen en meewerken aan de aangeboden hulpverlening via Spoor030. Zij heeft wel afspraken gemaakt met Spoor030, vanaf 20 oktober 2025 is dat wekelijks. Alleen Spoor030 heeft op dit moment het hulpverleningstraject on hold gezet. Dit omdat de moeder bij Spoor030 een beroep heeft gedaan op de AVG bij het verstrekken van informatie. Naar aanleiding daarvan heeft Spoor030 een AVG-onderzoek gestart en het traject on hold gezet. Volgens de moeder hoeft het AVG-onderzoek geen belemmering te zijn voor de voortzetting van het traject.

De moeder zegt dat zij de zorgregeling wil nakomen, maar is wel van mening dat er voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zorgvuldige stappen dienen te worden genomen passend bij hun draagkracht. Want de weerstand en angst bij de kinderen groeit. Ook Spoor030 ziet dat. Echter de GI houdt bij het geven van de schriftelijke aanwijzing geen rekening met de draagkracht en de trauma’s van de kinderen. Ook weigert de GI om met de moeder in gesprek te gaan hierover, dit terwijl de vertrouwenspersoon van de moeder, een zekere [persoon 4] , een plan van aanpak heeft gemaakt bedoeld als praatstuk voor de betrokkenen.

De vader

De vader vindt dat de schriftelijke aanwijzingen moeten worden bekrachtigd zoals verzocht door de GI en dat de verzoeken van de moeder moet worden afgewezen. De moeder komt de beschikking van 15 augustus 2025 niet na. Er heeft sindsdien maar één keer contact met de kinderen bij de vader thuis plaatsgevonden, waarbij de moeder bovendien in app-contact stond met een van de kinderen. Het traject bij Spoor030 dat nodig is voor contactherstel tussen de vader en de kinderen is gestagneerd omdat de moeder niet meewerkt en omdat de moeder Spoor030 heeft gevraagd om geen informatie te delen op grond van de AVG. Volgens de GI is de medewerking van de moeder aan dit traject belangrijk voor het laten slagen van het contactherstel tussen de vader en de kinderen. De moeder werkt structureel niet mee en zegt dat zij niet zal meewerken aan het contactherstel en de hulpverlening die daarop inzet. De weerstand van de kinderen naar de vader toe is verhard en iedereen staat met de rug tegen de muur omdat de moeder alle hulp tegenhoudt en strijd voert tegen de jeugdzorg.

5. De beoordeling

Bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025

Op basis van de stukken en de zitting moet naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025 worden bekrachtigd. Dat betekent dat het verzoek van de GI wordt toegewezen en het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing wordt afgewezen. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.

De GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Een ondertoezichtstelling geeft de GI bepaalde bevoegdheden en brengt ook verplichtingen voor de ouder met gezag mee. Een ondertoezichtstelling beperkt namelijk het gezag van de ouder. Als een ouder niet wil meewerken aan de (uitvoering van de) ondertoezichtstelling, dan kan de GI die ouder een schriftelijk aanwijzing geven.Een ouder is verplicht een schriftelijke aanwijzing na te komen.

De GI kan de kinderrechter daarbij vragen die schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.De kinderrechter moet in dat geval beoordelen of de gegeven aanwijzing past binnen de (uitvoering van de) ondertoezichtstelling en of de GI de aanwijzing redelijkerwijs had mogen geven. Hierbij komt de GI beleidsvrijheid toe. Omdat schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht moet de kinderrechter ook beoordelen of de aanwijzing voldoet aan de zogenoemde ‘beginselen van behoorlijk bestuur’. Voorbeelden zijn de vragen of de aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.

Op haar beurt kan de moeder met gezag verzoeken om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. De moeder is ontvankelijk in haar verzoek omdat zij haar verzoek binnen veertien dagen nadat de aanwijzing is gegeven bij de kinderrechter heeft ingediend.

De kinderrechter vindt dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid. De schriftelijke aanwijzing is begrijpelijk toegelicht en daarmee voldoende gemotiveerd. Dat de bewoordingen van de schriftelijke aanwijzing niet exact zouden overeenkomen met de bewoordingen van de vooraankondiging doet niet ter zake. De vooraankondiging en de schriftelijke aanwijzing hebben dezelfde strekking. De kinderrechter is verder van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing past binnen de uitvoering van de ondertoezichtstelling en in redelijkheid kon worden gegeven. De schriftelijke aanwijzing heeft immers de strekking dat de moeder moet meewerken aan de hulpverlening gericht op het contactherstel met de vader en aan de uitvoering van de zorgregeling die is vastgelegd in de beschikking van 15 augustus 2025. Volgens die regeling moeten de kinderen op dit moment in ieder geval elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader verblijven. Dat gebeurt nu niet. Er zijn twee contactmomenten op de vrijdag geïnitieerd. De eerste keer zijn de kinderen naar de vader gegaan, maar is er slechts een kort contactmoment geweest, tijdens welk moment er ook nog eens app-contact is geweest tussen een van de kinderen en de moeder. De tweede keer hebben de kinderen geweigerd om in de auto te stappen. Sindsdien werkt de moeder ook aantoonbaar onvoldoende mee aan de hulpverlening en de uitvoering van de zorgregeling. Inmiddels zijn er vier maanden verstreken en is er geen sprake van contactherstel tussen de kinderen en de vader. Gelet op de weerstand bij de kinderen is voor contactherstel volgens de GI nodig dat de ouders en de kinderen hulpverlening krijgen via Spoor030. Dat houdt in dat de moeder wekelijkse gesprekken heeft met Spoor030 en dat zij aanwezig is bij het startmoment van het contact om de kinderen met Spoor030 te begeleiden naar de contactlocatie. De moeder heeft dit niet gedaan. Zij was niet aanwezig bij de startmomenten van het contact om de kinderen met Spoor030 te begeleiden naar de contactlocatie. De moeder zegt weliswaar wekelijkse gesprekken te hebben gepland met Spoor030 maar Spoor030 heeft het hele hulpverleningstraject on hold gezet vanwege het beroep van de moeder op de AVG. Daarbij komt dat de moeder tegen de GI zegt dat eerst de trauma’s bij de kinderen moet worden onderzocht voordat het contact kan starten. Dat staat haaks op de beschikking van 30 augustus 2025, waarin staat dat de kinderen elke vrijdag contact hebben met de vader.

Ook de door de moeder geformuleerde zelfstandige verzoeken tot nakoming zoals geformuleerd in 3.2. getuigen bepaald niet van medewerking aan de hulpverlening gericht op uitvoering van de zorgregeling. Integendeel, onderdeel hiervan is nota bene een verzoek aan de kinderrechter tot opschorting van de vastgestelde zorgregeling.

Een dergelijk verzoek kan, gelet op het bepaalde in artikel 1:265g BW overigens slechts door de GI bij de kinderrechter worden ingediend en niet door een ouder met gezag, nu het een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling betreft die niet eerder door de kinderrechter is gewijzigd, maar dit terzijde. Verder blijkt uit deze verzoeken dat de moeder niet achter de door de GI inschakelde hulpverlening staat en blokkades opwerpt voor de verdere uitvoering. Gezien deze blokkades moet ernstig worden getwijfeld aan haar toezegging ter zitting dat zij de zorgregeling wil nakomen en dat zij wil meewerken aan het hulpverleningstraject bij Spoor030.

De kinderrechter heeft gelezen en gehoord dat de moeder wil dat bij de uitvoering van de zorgregeling rekening wordt gehouden met de draagkracht van de kinderen. De moeder ziet dat de kinderen grote weerstand hebben tegen contact met de vader en vindt dit moeilijk. Zij wil weten waar het vandaan komt. De moeder kan en mag zich echter niet (langer) achter die weerstand verschuilen. In de beschikking van 15 augustus 2025 is voorzien dat er weerstand zal zijn bij de kinderen bij het contactherstel. Juist daarom heeft de Raad voor de Kinderbescherming een goede begeleiding geadviseerd voor de kinderen en de moeder. Spoor030 biedt die begeleiding aan. Uit de verslagen van Spoor030 maakt de kinderrechter op dat Spoor030 rekening houdt met de weerstand van de kinderen. Ook heeft Spoor030 aangeboden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesprekken hebben met hun behandelaars in de aanloop naar contactherstel met de vader en in het kader van de trauma-inventarisatie. Het contactherstel en de trauma-inventarisatie zullen volgens de GI naast elkaar lopen. Kortom, in de weerstand van de kinderen kan geen rechtvaardiging worden gevonden niet ruimhartig mee te werken aan het contactherstel en de daarop gerichte hulpverlening.

Ook vormt de weerstand geen reden voor het maar blijven aandringen op nader onderzoek. Er is al immers zoveel onderzoek geweest. Er is sprake van een ernstige vorm van contactverlies tussen de kinderen en de vader, zonder dat hier in de vader gelegen redenen voor zijn. Dat is een constante vorm van kindermishandeling. De ouders en de kinderen zijn sinds het contactverlies al jaren verder en de hiermee verloren jaren kunnen nooit meer worden ingehaald. De moeder doet (schijnbaar) haar best, maar ook nu herhaalt zich weer het patroon dat ingezette hulpverleningstrajecten steeds voortijdig door haar worden gestopt omdat de moeder in haar beschermende rol schiet. De kinderen zitten gevangen in een negatief beeld van hun vader en moeten daaruit worden bevrijd, zodat zij zich ook op een gezonde manier verdere kunnen ontwikkelen. Volgens de beschikking van 15 augustus 2025 gaat de week-op-week-afregeling uiterlijk 15 februari 2026 in. Er is dus nog maar beperkte tijd voor de moeder om met de behulp van de aangeboden hulpverlening ervoor te zorgen dat de week-op week af regeling per 15 februari 2026 in kan gaan. Door haar toedoen is immers sinds 15 augustus 2025 kostbare tijd verloren gegaan.

Verder is de kinderrechter niet gebleken dat met de schriftelijke aanwijzing beoogd wordt de weg vrij te maken voor een uithuisplaatsing, zoals de moeder stelt. Dat neemt echter niet weg dat een uithuisplaatsing aan de orde kan komen als de moeder niet alsnog haar volledige medewerking aan contactherstel met de vader en de daarop gerichte hulpverlening verleent.

Zoals hiervoor is uitgelegd is het voor deze kinderen erg belangrijk dat Spoor030 het traject onmiddellijk voortzet. De kinderrechter acht onaanvaardbaar dat Spoor030 in het door de moeder op grond van de AVG ingediende verzoek reden heeft gevonden het hulpverleningstraject on hold te zetten om eerst onderzoek te doen naar de eigen rechten en plichten op grond van de AVG bij het verstrekken van informatie.

De kinderrechter wil daarbij benadrukken dat Spoor030 de informatie die de GI vraagt en nodig heeft voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling onder alle omstandigheden met de GI moet delen, ook als er geen toestemming is van de ouder. Dit volgt uit artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet, waarin staat: “Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de gecertificeerde instelling verstrekken, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep”.

Uit het vorenstaande volgt dat er op inhoudelijke gronden geen reden de bestaat de GI te bevelen de schriftelijke aanwijzing in te trekken of deze te schorsen, zoals de moeder heeft verzocht. De wet voorziet overigens ook niet in de mogelijkheid dergelijke verzoeken in te dienen bij de kinderrechter. De moeder zal daarom in deze verzoeken niet ontvankelijk worden verklaard.

Vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025

De moeder heeft zich verzet tegen gelijktijdige behandeling van het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025 (verzoek met nummer C/16/603609 / JE RK 25/1823), omdat zij meer tijd wil om haar verweer hiertegen voor te bereiden en een schriftelijk verzoek tot vervallenverklaring in te dienen. De vader en de GI hebben gelijktijdige behandeling van dit laatste verzoek van de GI bepleit, omdat het om hetzelfde onderwerp gaat. De kinderrechter is van oordeel dat het belang van de kinderen en van alle belanghebbenden een gelijktijdige behandeling van het laatste verzoek van de GI vereist. Het gaat inderdaad om hetzelfde onderwerp en het is in ieders belang dat de juridische strijd niet onnodig wordt verlengd. Die juridische strijd leidt alleen maar af van waar het hier werkelijk om gaat, namelijk het werken aan het herstel van het contact tussen de kinderen met de vader. Dit wordt door alle belanghebbenden gewenst, ook door de moeder, althans dat stelt zij. Gelet op de korte termijn tussen de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025 en de zitting zal de kinderrechter de aankondiging van de moeder dat zij meer tijd wil om een schriftelijk verzoek tot vervallenverklaring in te dienen, beschouwen als een verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025.

Op basis van de stukken en de zitting zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025 vervallen verklaren. Dat betekent dat het verzoek van de GI tot bekrachtiging hiervan wordt afgewezen. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.

De moeder heeft op de zitting uitdrukkelijk desgevraagd gezegd dat zij meewerkt en zal meewerken aan het eerste deel van deze schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025. De moeder heeft gezegd dat zij zal meewerken aan de gesprekken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de behandelaars van Spoor030 in de aanloop naar contactherstel met hun vader en in het kader van de trauma-inventarisatie. Zij wil juist dat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverlening krijgen voor hun trauma’s en dat er wordt gekeken naar waar de weerstand tegen contact met de vader vandaan komt. De kinderrechter onderschrijft het belang van de toegezegde medewerking van de moeder aan dit eerste deel van deze schriftelijke aanwijzing en benadrukt dat de moeder aan deze toezeggingen is gebonden. Daarom heeft de GI op dit moment onvoldoende belang meer bij bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzing. Voor het overige bevat deze tweede schriftelijke aanwijzing een herhaling c.q. nadere invulling van de eerste schriftelijke aanwijzing. Nu de eerste schriftelijke aanwijzing wordt bekrachtigd heeft de GI ook voor dit deel onvoldoende belang bij bekrachtiging van de tweede schriftelijke aanwijzing.

Verzoek tot nakoming met een beroep op artikel 3:296 BW.

De kinderrechter verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar in 3.2. vermelde verzoeken. Verzoeken tot nakoming moeten als vordering worden gedaan in een dagvaardingsprocedure met een advocaat. Dat kan niet in een verzoekschriftprocedure, voor zover deze verzoeken geen grondslag in boek 1 van het burgerlijk wetboek. De gemachtigde van de moeder is geen advocaat. Verder moeten dergelijke vorderingen/verzoeken worden gericht aan de rechtbank en kunnen deze niet als tegenverzoek worden ingediend bij de kinderrechter. Indien en voor zover de verzoeken zouden moeten worden aangemerkt als een beroep op de geschillenregeling ex artikel 1:262b BW geldt dat ook dergelijke verzoeken door een advocaat moeten worden ingediend. Overigens miskent de inhoud van deze verzoeken de aard van een ondertoezichtstelling op schokkende wijze. Een ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel op de grond dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en het de ouders niet lukt deze ontwikkelingsbedreiging op eigen kracht weg te nemen. De kinderrechter heeft de GI heeft aangesteld om die ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Daartoe moet de GI alle interventies inzetten die zij nodig acht en de GI voert daarover de regie. Het gaat niet aan dat een van de ouders poogt deze regie over te nemen of de GI gaat tegenwerken met allerlei vergaande eisen aan de GI en/of met verzoeken die beogen de GI in feite onder curatele te stellen, zoals het verzoek tot benoeming van een extern deskundige die zou moeten toezien op het verloop van de ondertoezichtstelling. Verder heeft de kinderrechter geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de GI niet zou voldoen aan de voor haar geldende professionele standaarden.

De kinderrechter zal de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Er is namelijk geen hoger beroep mogelijk tegen de beslissing van de kinderrechter, maar enkel cassatie in het belang der wet.

Tot slot wil de kinderrechter nog het volgende opmerken. Het ligt doorgaans niet op de weg van de rechter om zich uit te laten over de kwaliteit van de juridische dienstverlening door een gemachtigde. In dit geval moet het de kinderrechter wel van het hart dat door de gemachtigde van de moeder lukraak gegrossierd is in grotendeels nauwelijks onderbouwde en/of weinig concrete, veelal niet op de wet gebaseerde, en/of verkeerd ingeleide verzoeken. Dit past niet in een behoorlijke rechtsbijstand.

6. De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak C/16/602054 / JE RK 25/1664:

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025;

verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek de GI te bevelen de schriftelijke aanwijzing in te trekken of te schorsen met een beroep op artikel 3:296 BW;

In de zaak C/16/602550 / JE RK 25-1715:

wijst af het verzoek van de moeder om de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 30 oktober 2025;

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar in 3.2. opgesomde verzoeken;

In de zaak C/16/603609 / JE RK 25/1823:

verklaart genoemde schriftelijke aanwijzing van 4 december 2025 vervallen, wegens gebrek aan belang.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 door mr. M.A.A.T. Engbers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Ö. Duran als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?