ECLI:NL:RBMNE:2025:6680

ECLI:NL:RBMNE:2025:6680, Rechtbank Midden-Nederland, 16-12-2025, UTR 25/6733

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer UTR 25/6733
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat niet gebleken is van onverwijlde spoed. Eiser zal de vergunningen niet eerder gaan gebruiken dan na de zomer van 2026, en tegen die tijd heeft de rechtbank al lang uitspraak gedaan in de bodemprocedure. Bovendien is intrekking van de vergunningen niet onomkeerbaar. Als daar aanleiding toe is kan het beroep van eiser er immers toe leiden dat de intrekking wordt herroepen, zodat de vergunningen herleven en eiser daar, als hij daar aan toe is, alsnog gebruik van kan maken.

Uitspraak

[verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigden: mr. S.W. Derksen en mr. S. de Graaff),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , verweerder

(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).

Inleiding

1. Met het besluit op bezwaar van 27 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de intrekking per 1 december 2025 van vier aan verzoeker verleende omgevingsvergunningen in stand gelaten. De vergunningen zijn door het college in 2013, 2015 en 2016 verleend voor het (ver)bouwen van zijn panden aan de [straat] in [plaats] . Het college geeft verzoeker tot uiterlijk 1 december 2025 de tijd om constructieve handelingen te verrichten ter uitvoering van de vier omgevingsvergunningen, alvorens deze worden ingetrokken. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2. De betreffende panden worden momenteel gekraakt, waardoor verzoeker sowieso niet kan starten met sloop- en bouwwerkzaamheden. Om de krakers die niet vrijwillig willen vertrekken eruit te (laten) zetten is verzoeker een kort geding gestart bij deze rechtbank. Bij besluit van 27 november 2025 heeft het college de intrekkingstermijn van 1 december 2025 opschort tot twee weken na het vonnis in dit kort geding. Het kort geding is op 10 december 2025 op een zitting behandeld en naar verwachting volgt het vonnis twee weken later, dus op 24 december 2025.

3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake het bestreden besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat gelet op de betrokken belangen vereist. Daarbij gaat het in beginsel om de periode tot aan de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure. Bij de vraag of er sprake is van onverwijlde spoed, is van belang of zich gedurende die periode een onomkeerbare situatie zal kunnen voordoen die gelet op de betrokken belangen moet worden voorkomen met een voorziening.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vier omgevingsvergunningen aan verzoeker zijn verleend voor het verrichten van bouwactiviteiten en in drie van de vier gevallen, ook zien op afwijken van het bestemmingsplan. Uit het betoog van verzoeker blijkt dat er voorbereidende werkzaamheden en sloopwerkzaamheden moeten worden verricht voordat hij kan starten met de bouw. Verzoeker heeft een sloopbedrijf ingeschakeld dat niet eerder kan beginnen dan vier weken nadat de krakers zijn vertrokken. De sloopwerkzaamheden zullen 14 weken duren. De aannemer van verzoeker zal tegelijkertijd met het sloopbedrijf kunnen starten met voorbereidende werkzaamheden, die vier tot vijf maanden zullen duren. Daarna zal de grond nog worden afgegraven en zullen er damwanden worden geplaatst. Pas ná de bouwvakantie, eind augustus 2026, zal de aannemer kunnen starten met de vergunde bouwactiviteiten.

6. Op grond van artikel 5:40, tweede lid en onder d van de Omgevingswet (Ow) is het college bevoegd om een omgevingsvergunning in te trekken als er gedurende een jaar geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat er pas sprake is van ‘bouwen’ als er een constructieve handeling wordt verricht, waarbij een constructie van enige omvang wordt gemaakt die bedoeld is om ter plaatse duurzaam aanwezig te zijn. Dat betekent dat voorbereidende werkzaamheden, maar ook het bouwrijp maken van de grond en het slaan van damwanden, geen activiteiten zijn die worden verricht met gebruikmaking van (een van) de vier aan verzoeker verleende omgevingsvergunning.

7. Zoals gezegd zullen de vier omgevingsvergunningen twee weken na het vonnis in kort geding van 24 december 2025 worden ingetrokken. Dat is op 7 januari 2026. Gelet op het betoog van verzoeker zal hij in het meest gunstige geval (als het vonnis in kort geding in zijn voordeel uitpakt en de krakers spoedig daarna vertrekken) pas eind augustus 2026 activiteiten kunnen verrichten met gebruikmaking van (een van) de vier omgevingsvergunning(en). Tegen die tijd heeft de rechtbank echter al lang uitspraak gedaan in de bodemprocedure over het bestreden besluit. Het beroep van verzoeker staat immers op 15 januari 2026 bij de rechtbank op een zitting gepland. Van ‘onverwijlde spoed’ is dan ook niet gebleken.

8. Daarbij is van belang dat de intrekking van de vier omgevingsvergunningen niet onomkeerbaar is. Als daar aanleiding voor is, kan de bodemprocedure er immers toe leiden dat die intrekking wordt herroepen. In dat geval zullen de omgevingsvergunningen herleven en kan verzoeker deze, tegen de tijd dat hij daar aan toe is, alsnog gebruiken. Tot slot acht de voorzieningenrechter nog van belang dat de rechtbank in de bodemprocedure voldoende instrumenten voorhanden heeft om, eveneens als daar reden toe is, te anticiperen op (eventuele) gewijzigde feiten of omstandigheden ten tijde van de behandeling van het beroep.

9. Omdat er geen sprake is van onverwijlde spoed is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer - de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.K. Boer - de Bruin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?