RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1601
(gemachtigde: Bc F.R. Eggink)
en
Procesverloop
In de naheffingsaanslag van 27 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
Met de uitspraak op bezwaar van 23 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 augustus 2025. Gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar zijn niet verschenen, zonder bericht van verhindering.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
2. Op 19 oktober 2023 stond het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] geparkeerd op de Rozenstraat in Zeist, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] om 15:32 uur opgelegd.
Is de uitspraak op bezwaar bevoegd genomen?
3. Eiser voert aan dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen. Er is volgens eiser niet gebleken dat de invorderingsambtenaar van ParkeerService mandaat heeft. Daarom komt de uitspraak op bezwaar voor vernietiging in aanmerking.
Daarnaast is het besluit in primo volgens eiser door dezelfde functionaris voorbereid als de uitspraak op bezwaar. Dat is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak op bezwaar is genomen door de heffings- en invorderingsambtenaar van de gemeente Zeist. Op 21 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist de directeur-bestuurder van Coöperatie ParkeerService U.A. aangewezen als heffings- en invorderingsambtenaar parkeerbelastingen. Hieruit volgt dat het besluit wel bevoegd is genomen.
De naheffingsaanslag is opgelegd door een parkeercontroleur en dat is toch echt een andere functionaris dan de directeur-bestuurder van Coöperatie ParkeerService. Van strijd met het gestelde in artikel 10:3 van de Awb is derhalve geen sprake. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Schending hoorplicht?
5. Eiser voert aan dat hij op 16 januari 2024 een uitnodiging voor de hoorzitting gedateerd 5 januari 2024 heeft ontvangen waarin stond dat de hoorzitting op 15 januari 2024 zou plaatsvinden, terwijl er eerder een afspraak was voor een hoorzitting op 17 januari 2024. In deze uitnodiging stond ook een verkeerd telefoonnummer en een reactietermijn van één week. Volgens eiser kan de uitspraak op bezwaar, nu er niet gehoord is, niet standhouden en komt deze voor vernietiging in aanmerking.
6. De heffingsambtenaar stelt dat de brief gedateerd 5 januari 2024 met daarin de uitnodiging voor de hoorzitting zowel per post als per email aan de gemachtigde is verzonden. De heffingsambtenaar heeft dit emailbericht met de bijlagen bijgevoegd bij het verweerschrift. Daaruit volgt dat de heffingsambtenaar -anders dan de gemachtigde stelt- de gemachtigde tijdig heeft uitgenodigd voor de telefonische hoorzitting.
Verder stelt de heffingsambtenaar dat in de onderhavige zaak géén verzoek is gekomen om de hoorzitting te verzetten. Op de brief/email van 5 januari 2024 is volgens de heffingsambtenaar geen enkele reactie ontvangen. De heffingsambtenaar heeft uitgelegd dat hij een verzoek tot uitstel van een hoorzitting ontvangen, maar dat betrof echter een verzoek tot uitstel in een andere zaak. Ook heeft de heffingsambtenaar na de geplande hoorzitting van 15 januari 2024 nog een aantal keren tevergeefs getracht contact op te nemen met de gemachtigde, waarna hij het bezwaar van eiser bij gebrek aan inhoudelijke beroepsgronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Er staat weliswaar een foutje in de uitspraak op bezwaar, omdat daar staat dat de hoorzitting aanvankelijk was ingepland op 15 januari 2024 en die vervolgens is uitgesteld naar 17 januari 2024, maar met het verweerschrift en de onderliggende stukken maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat eiser meer dan voldoende gelegenheid is geboden om zijn gronden kenbaar te maken en aan de hoorzitting van 15 januari 2024 (om 10.00 uur) deel te nemen. Namens eiser is daar niets tegen in gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er is daarom geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2025 door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier.
Nota bene: de verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak is vanwege de omstandigheid dat de rechter in een andere zaak van diezelfde zitting van 21 augustus 2025 door deze gemachtigde is gewraakt, zorgvuldigheidshalve uitgesteld totdat op het wrakingsverzoek werd beslist.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.