proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
8 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 20 juni 2024 tegen de afwijzing van zijn schadeverzoek.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser wil met zijn beroep bereiken dat de minister zijn standpunt in zijn brief van 27 mei 2014 over het niet erkennen van schade en aansprakelijkheid als gevolg van het politieoptreden in de periode 1993 tot 2012, heroverweegt. Volgens eiser is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die een ander licht doen schijnen op de gebeurtenissen. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 en stukken die in die procedure zijn overgelegd. Eiser dient hiermee geen verzoek in om schadevergoeding, maar wil dat de minister de schade en de aansprakelijkheid alsnog erkent.
3. Om bij de bestuursrechter te kunnen procederen, moet er een besluit zijn in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Het verzoek om een heroverweging van de brief van 27 mei 2014 is niet gedaan naar aanleiding van een besluit in de zin van de Awb. Een brief waarin een verzoek om heroverweging wordt afgewezen zou in beginsel als een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit kunnen worden aangemerkt, maar niet als dat ziet op schadeveroorzakende gebeurtenissen over het feitelijk handelen van de politie. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 heeft geoordeeld, kan eiser tegen dat schadebesluit geen beroep bij de bestuursrechter instellen. Daarvoor zal eiser een procedure bij de civiele rechter moeten beginnen.
4. Eiser is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.