[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen
(gemachtigde: W. Goddijn).
Inleiding
1. Bij een controle op 24 september 2025 heeft de toezichthouder op het perceel [adres] in [plaats] geconstateerd dat verzoeker een bouwwerk (een constructie voorzien van houten kolommen met daartussen houten en glazen wanden) aan het bouwen was zonder omgevingsvergunning. Met het besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college aan verzoeker een bouwstop opgelegd en hieraan een dwangsom verbonden als toch verder wordt gebouwd. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de voorlopige voorziening wil verzoeker voorkomen dat hij een dwangsom verbeurt als hij de dakafwerking afrondt en het reeds gerealiseerde bouwwerk veilig consolideert.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen, omdat het kennelijk ongegrond is. Hieronder zal zij uitleggen waarom.
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend hangende de bezwaarprocedure. Het college heeft schriftelijk verklaard dat verzoeker het bouwwerk wind- en waterdicht mag maken met behulp van provisorische materialen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek.
5. Bij het ontbreken van spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en ook niet dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: