proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
8 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van Procureurs-Generaal, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 12 maart 2025.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Verweerder heeft zich, zoals bericht, niet op zitting laten vertegenwoordigen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen.
Eiser beoogt met zijn beroep om een herbeoordeling van de brief van 11 januari 2011 van het college van procureurs-generaal, waarin zijn verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Volgens eiser is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, die maken dat de brief van 11 januari 2011 inhoudelijk niet (langer) juist is Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 en stukken die in die zaak zijn overgelegd.
Voor zover eiser met zijn beroep beoogt om alsnog in aanmerking te komen voor schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat hiertegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
Om bij de bestuursrechter te kunnen procederen, moet er een besluit zijn in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Het verzoek om een heroverweging van de brief van 6 januari 2011 is niet gedaan naar aanleiding van een besluit in de zin van de Awb. Een brief waarin het verzoek om heroverweging wordt afgewezen zou in beginsel als een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit kunnen worden aangemerkt, maar niet als dat ziet op schadeveroorzakende gebeurtenissen over het feitelijk handelen van de politie. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 heeft geoordeeld, kan eiser tegen dat schadebesluit geen beroep bij de bestuursrechter instellen. Daarvoor zal eiser een procedure bij de civiele rechter moeten beginnen.
3. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.