ECLI:NL:RBMNE:2025:6769

ECLI:NL:RBMNE:2025:6769, Rechtbank Midden-Nederland, 10-12-2025, UTR 25/6387 en UTR 25/5634

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer UTR 25/6387 en UTR 25/5634
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

urgentieverklaring woning. Het college heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd door niet op alle omstandigheden in te gaan en niet uit te leggen waarom de gevolgen van dit besluit voor de kinderen, geen aanleiding zijn om de hardheidsclausule toe te passen. Ook moet het college ingaan op het aangevoerde onder artikel 8 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres/verzoekster,

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 25/6387 (vovo) en UTR 25/5634 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. S. Yildirim),

en

(gemachtigde: mr. E. Siemeling).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring op grond van dreigende dakloosheid van eiseres/verzoekster (hierna eiseres). Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de algemene voorwaarden van het zijn van ingezetene en het beschikken over zelfstandige woonruimte in de woningmarktregio. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de toepasselijkheid van de hardheidsclausule en het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM opnieuw moet beoordelen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van dreigende dakloosheid. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voor deze uitspraak belangrijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

4. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring wegens dreigende dakloosheid, omdat zij begin 2024 wegens een gerechtelijke uitspraak uit haar haar woning bij de [instelling] is gezet. Hierbij heeft de [instelling] eiseres wel een vervangende woning aangeboden, maar daar heeft zij geen gebruik van gemaakt. Eiseres woont sindsdien tijdelijk met haar twee minderjarige kinderen van [leeftijden] jaar in bij haar meerderjarige dochter in een studentenkamer. Eiseres ontvangt een daklozenuitkering. Op 6 november 2025 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat zij de aanzegging heeft gekregen samen met haar kinderen met ingang van 23 december 2025 de woning van haar meerderjarige dochter te verlaten.

Het bestreden besluit

5. Het college heeft de urgentieaanvraag in het bestreden besluit afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan het vereiste van het zijn van ingezetene en het beschikken over een zelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht (Hvv). Eiseres voldoet verder niet aan de specifieke voorwaarden bij dreigende dakloosheid als genoemd in art 29, aanhef en onder b, van de Hvv. Ook voldoet eiseres niet aan de specifieke voorwaarde voor een urgentie op maatschappelijke gronden, als genoemd in artikel 35, aanhef en onder a en b van de Hvv. Ook ziet het college in de situatie van eiseres onvoldoende bijzondere redenen om de hardheidsclausule van artikel 72 van de Huisvestingsverordening toe te passen en slaagt een beroep op het evenredigheidsbeginsel niet.

Algemene voorwaarden voor urgentie

6. Eiseres voert aan, dat zij sinds 2006 ingezetene is van de gemeente Utrecht. Dat zij wegens een gerechtelijke uitspraak dakloos is geworden en daardoor slechts een postadres heeft, kan haar niet worden tegengeworpen. Tijdens de zitting bij de civiele rechter van 12 januari 2024 over de ontruiming van haar woning, mocht eiseres ervan uitgaan dat zij een vervangend appartement tot haar beschikking zou krijgen. Het is juist dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft, maar dat komt omdat zij haar woning moest verlaten op grond van een gerechtelijk vonnis.

7. Het college beoordeelt de aanvraag van eiseres aan de hand van de regels in de Hvv. Daaruit volgt dat het college eerst beoordeelt of eiseres voldoet aan de algemene voorwaarden voor urgentie. Alleen als eiseres daaraan voldoet, toetst het college de aanvraag aan de specifieke criteria van de diverse urgentie categorieën als genoemd in artikel 28 van de Hvv. Als iemand aan één van de algemene voorwaarden niet voldoet, wijst het college de urgentieaanvraag af. Eiseres moet dus - in beginsel - aan alle algemene voorwaarden genoemd in de Huisvestingsverordening voldoen. In dit geval heeft het college in het bestreden besluit twee algemene voorwaarden tegengeworpen aan eiseres. Volgens het college was eiseres geen ingezetene en beschikte ze niet over zelfstandige woonruimte. Deze voorwaarden zijn verder uitgewerkt in de toelichting bij de Hvv.

8. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college de voorwaarden uit artikel 28, aanhef, en onder a en b van de Hvv terecht aan eiseres heeft tegengeworpen. Eiseres is niet in de Basisregistratie personen (BRP) opgenomen met een feitelijk en rechtmatig hoofdverblijf in een woonruimte die volgens het omgevingsplan bestemd is voor permanente bewoning. Eiseres is immers sinds 27 april 2024 ingeschreven op postadres Stadsplateau 1 in Utrecht. Dat zij geen zelfstandige woonruimte achterlaat, erkent eiseres zelf ook.

9. Nu eiseres niet voldoet aan deze twee algemene voorwaarden voor urgentie vormt dat al een zelfstandige afwijzingsgrond en wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de specifieke voorwaarden in artikel 29 van de Hvv voor een urgentie wegens dreigende dakloosheid niet toegekomen.

10. Niettemin merkt de voorzieningenrechter ten overvloede op dat het college in het bestreden besluit terecht stelt dat eiseres ook niet aan die specifieke voorwaarden voldoet. In artikel 29, aanhef en onder b, van de Hvv is bepaald dat één van de redenen voor een urgentie bij dakloosheid is dat de betrokkene zijn woonruimte moet verlaten door een gerechtelijk vonnis, voor zover betrokkene dit niet had kunnen voorkomen. Het college stelt terecht dat eiseres begin 2024 weliswaar haar woning van de [instelling] heeft moeten ontruimen op grond van een gerechtelijk vonnis, maar dat zij dat had kunnen voorkomen door te voldoen aan de voorwaarden van de [instelling] . Verder heeft zij ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de haar door de [instelling] aangeboden vervangende woning. Eiseres voldoet daarom niet aan de voorwaarde die genoemd is in artikel 29, aanhef en onder b van de Hvv. Ook stelt het college terecht dat eiseres niet voldoet aan de specifieke voorwaarden van artikel 35 van de Hvv voor een urgentie op maatschappelijke gronden. Eiseres heeft niet op grond van problemen van relationele aard of huiselijk geweld de woning verlaten. Ook stroomt zij niet uit, uit een instelling die is aangesloten bij de Vereniging beter wonen.

De hardheidsclausule en artikel 8 van het EVRM

11. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onredelijk hard uitwerkt en zij verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank van 30 juni 2021, waarin volgens eiseres werd overwogen dat afwijzing van een urgentie aanvraag onredelijk hard kan zijn indien dit leidt tot het verlies van gezinsleven of tot de onmogelijkheid om een kind bij zich te laten wonen. Eiseres en haar kinderen dreigen per 23 december 2025 dakloos te worden. Hierdoor zullen de kinderen door de Kinderbescherming wederom uit huis geplaatst gaan worden, slechts omdat er geen passende woonruimte beschikbaar is. Daarmee wordt het recht op gezinsleven van artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest geschonden. Het college had vanwege de schrijnende situatie van eiseres en haar kinderen toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule. De impact van de afwijzing is disproportioneel en leidt tot onaanvaardbare hardheid. De beschikking van de rechtbank van 11 december 2024 bevestigd dat het welzijn en opvoeding van de kinderen ernstig wordt belemmerd en medische verklaring tonen aan dat de dochter ernstige stressklachten ervaart door de woonsituatie, wat welzijn en schoolprestaties nadelig beïnvloed. Eiseres moet daarom op grond van de hardheidsclausule alsnog in aanmerking komen voor toewijzing van de urgentieaanvraag.

12. Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat er geen reden is om de hardheidsclausule toe te passen. Een urgentieverklaring is de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daarop weer een uitzondering omdat iemand dan urgentie krijgt, terwijl die persoon niet aan de voorwaarden voldoet. In de kern stelt het college ten aanzien van zowel de hardheidsclausule als het beroep op het evenredigheidsbeginsel dat de huidige woonsituatie van eiseres allesbehalve ideaal is, maar dat eiseres die situatie voornamelijk zelf heeft veroorzaakt. Dat de uithuisplaatsing van de kinderen medio 2025 is beëindigd en zij weer bij hun moeder zijn geplaatst, maakt dit volgens het college niet anders, omdat op dat moment duidelijk was dat eiseres bij haar minderjarige dochter verbleef. Eiseres heeft samen met haar kinderen een dak boven het hoofd waardoor er geen sprake is van dakloosheid. Verder kunnen er nog andere mogelijkheden worden onderzocht, zoals andere onzelfstandige woonruimte of woningen in een andere regio, aldus het bestreden besluit.

13. De voorzieningenrechter kan het college goed volgen in de stelling dat eiseres de situatie waarin zij zich bevindt grotendeels zelf heeft veroorzaakt, dat zij dit had kunnen voorkomen en dat dit zwaar meeweegt. Tegelijkertijd moet het college de situatie waarin de kinderen van eiseres zich als gevolg daarvan bevinden ook kenbaar meewegen. Dat heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gedaan door ten aanzien van hen er alleen op te wijzen dat zij een dak boven hun hoofd hebben. De aanzegging van de verhuurder dat eiseres en haar kinderen de woning op 23 december 2025 moeten verlaten was er weliswaar ten tijde van het bestreden besluit nog niet, maar eiseres heeft in bezwaar reeds gewezen op de negatieve gevolgen voor de ontwikkeling en gezondheid van haar kinderen, zoals ook is omschreven in de beschikking van de kinderrechter van 11 december 2024 en het huisartsen journaal van 24 april 2025. Eiseres heeft daarnaast ook de beschikking van de kinderrechter van 3 juni 2025 overgelegd waarin expliciet is vermeld dat de huidige woonsituatie van de kinderen die met hun moeder en halfzus in een studio wonen niet in hun belang is. De enige reden dat de kinderrechter de toen verzochte verlenging machtiging tot uithuisplaatsing toch heeft afgewezen, is omdat er geen zicht was op een andere plek voor de kinderen. De voorzieningenrechter vindt dat het college op deze omstandigheden in had moeten gaan en uit had moeten leggen waarom de gevolgen voor de kinderen geen aanleiding zijn om, ondanks het verwijtbaar handelen van eiseres, toch de hardheidsclausule toe te passen.

14. Verder is in bezwaar een uitdrukkelijk beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt weliswaar dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert, maar dit neemt niet weg dat niet valt uit te sluiten dat het weigeren van een urgentieverklaring onder omstandigheden in strijd kan komen met positieve verplichtingen die voortvloeien deze verdragsbepaling. Het college moet motiveren waarom dit in deze situatie niet het geval is en dit is in het bestreden besluit niet gebeurd.

15. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond, omdat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.

17. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat het college binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het college opnieuw moet beoordelen of er aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen en of sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. De belangen van de kinderen moeten duidelijk worden meegewogen naar de huidige stand van zaken. Zo moet er bijvoorbeeld aandacht zijn voor de huidige woonsituatie van de kinderen, de sommatie aan eiseres om de woning waar zij nu samen met haar twee kinderen verblijft per 23 december 2025 te verlaten, waardoor een uithuisplaatsing mogelijk weer op tafel ligt en alle overige omstandigheden die de kinderen betreffen.

18. Omdat er meteen op het beroep is beslist, zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening zoals is bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Hierbij is allereerst van belang dat de in deze procedure gevraagde voorziening, het behandelen van eiseres als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring, geen voorlopig karakter heeft, zodat een dergelijke voorziening slechts in uitzonderlijke situaties kan worden getroffen. Hoewel eiseres heeft aangevoerd dat zij op dit moment onrechtmatig in de woning verblijft en er een sommatie ligt om de woning te verlaten, is er nog geen sprake van een concrete ontruiming. Ter zitting heeft eiseres ook gesteld dat geprobeerd gaat worden om met de verhuurder van de woning van de meerderjarige dochter in contact te treden. De voorzieningenrechter vindt ook van belang dat niet is gebleken dat eiseres zelf activiteiten heeft ondernomen om vervangende huisvesting te regelen, door bijvoorbeeld zelf bij de [instelling] te verzoeken of daar nog mogelijkheden zijn. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om thans een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.

19. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden van de beroepszaak en de voorlopige voorziening, van twee keer € 194,- (totaal € 388,-). Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet die kosten betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet het college de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde betalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.721,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage

Artikel 28. Algemene eisen voor een urgentverklaring

1.Urgentie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden:

a. de woningzoekende is ingezetene;

b. de woningzoekende beschikt over een zelfstandige woonruimte in de woningmarktregio;

c. er is sprake van een bijzondere persoonlijke noodsituatie;

d. de noodsituatie is ontstaan buiten eigen schuld en was door de woningzoekende niet te voorzien;

e. de woningzoekende kan aantonen eerst zelf naar een oplossing te hebben gezocht;

f. een verhuizing binnen zes maanden is noodzakelijk;

g. de woningzoekende is aantoonbaar niet in staat om zelf binnen zes maanden voor passende huisvesting te zorgen;

h. het huishoudinkomen is niet hoger dan het in artikel 3, lid 5 genoemde bedrag; en

i. er wordt voldaan aan de bij de specifieke urgentiegrond genoemde voorwaarden.

2.De voorwaarden uit het eerste lid onder a. tot en met h. gelden niet bij een urgentie op maatschappelijke gronden, urgentie voor statushouders of gedupeerden van het aanbodsysteem.

3.De voorwaarden uit het eerste lid onder e. tot en met h. gelden niet bij urgentie op volkshuisvestelijke gronden.

4.Voor urgentie bij mantelzorg geldt niet de voorwaarde uit het eerste lid onder a. en mag, in afwijking van het eerste lid onder b., de zelfstandige woonruimte buiten de woningmarktregio liggen.

Artikel 29. Urgentie bij dreigende dakloosheid

Van urgentie bij dreigende dakloosheid is uitsluitend sprake bij het buiten eigen schuld of toedoen:

a. onvoorzienbaar moeten verlaten van een dienstwoning, omdat de werkgever de werknemer tot vrije oplevering heeft gedwongen;

b. moeten verlaten van een woonruimte door een gerechtelijk vonnis (geen echtscheidingsvonnis), voor zover betrokkene dit niet had kunnen voorkomen; of

c. verliezen van een woonruimte door een calamiteit, zoals brand of overstroming.

Artikel 35. Urgentie op maatschappelijke gronden

Een indicatie op maatschappelijke gronden wordt uitsluitend verleend als er sprake is van:

a. problemen van relationele aard of huiselijk geweld, waardoor de woningzoekende de woonruimte heeft verlaten en nu verblijft in een door burgemeester en wethouders erkende voorziening voor tijdelijke opvang van personen, of

b. uitstroom uit een instelling die is aangesloten bij de Vereniging Beter Wonen, waar de woningzoekende verblijft na doorverwijzing door een gemeente uit de woningmarktregio, en de woningzoekende door de instelling is voorgedragen voor bemiddeling.

Artikel 72. Hardheidsclausule

1.Burgemeester en wethouders kunnen, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager afwijken van deze verordening.

2.Als een woningzoekende op basis van dit oordeel een urgentverklaring krijgt, dan geldt deze urgentverklaring alleen in de gemeente waar de urgentverklaring is verleend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?