RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4992
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt (het college), verweerder
(gemachtigde: W.R. Beukhof).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (vergunninghouder).
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de omgevingsvergunning die het college op 21 augustus 2025 heeft verleend aan vergunninghouder voor het kappen van 3 grove dennen die op het perceel [nummer] te [plaats] staan (achter de [adres] ), zoals later gewijzigd met het besluit van 22 september 2025 (het bestreden besluit).
2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de kapvergunning en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en de kapvergunning te schorsen.
3. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bomenadviseur van het college in het bijzijn van vergunninghouder de bomen ter plaatse beoordeeld. Tijdens dit bezoek is gebleken dat van één boom, de boom die op de situatietekening is aangeduid met nummer 1, één gesteltak nog leeft. Het college heeft daarom het besluit van 21 augustus 2025 gedeeltelijk gewijzigd met het bestreden besluit, door te besluiten dat deze boom niet volledig mag worden gekapt, maar ingrijpend mag worden gesnoeid waarbij een stamdeel van minimaal acht meter hoogte moet blijven staan. Voor het overige blijft de op 21 augustus 2025 verleende omgevingsvergunning in stand.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergunninghouder en het college. Namens het college was ook bomenadviseur [A] aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Beoordelingskader
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft daarom eerst een voorlopig oordeel over de vraag of het bestreden besluit rechtmatig is of niet. Daarna zal zij beoordelen of de belangen van verzoeker om het bestreden besluit te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en vergunninghouder om het bestreden besluit in stand te laten.
6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
8. Het college heeft een bevoegdheid om de kapvergunning te verlenen. Bij het besluit om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid heeft het college beleidsruimte. De voorzieningenrechter toetst of het college, onder afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om gebruik te maken van de bevoegdheid.
De kapvergunning
9. Op de zitting heeft verzoeker duidelijk gemaakt dat zijn verzoek alleen nog betrekking heeft op de boom die op de situatietekening is aangeduid met nummer 1 (boom 1). Het toetsingskader voor het verlenen van de kapvergunning is de Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2024 (de verordening) en het Kapbeleid gemeente De Bilt 2021 (het kapbeleid). Het college heeft de aanvraag beoordeeld op grond van de artikelen 4.10 en 4.11 van de verordening.
10. Onder het vellen van een boom wordt op grond van het tweede lid van artikel 4.10 van de verordening mede verstaan het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand tot gevolg kan hebben. Tijdens de zitting is door het college toegelicht dat het ingrijpend snoeien van boom 1 onder deze definitie van de verordening valt. Omdat nog een deel van de kroon leeft en een deel dood is, mag in verband met de stabiliteit van de boom en het risico voor de omgeving deze boom wel ingrijpend worden gesnoeid door de gehele kroon te verwijderen. Vanwege de ecologische waarde van de boom moet een stamdeel van acht meter hoogte blijven staan.
9. Volgens het college is sprake van natuurwaarde van de bomen. Op grond daarvan kan het college de kapvergunning weigeren. Het college kan er ook voor kiezen om de kapvergunning, na afweging van de betrokken belangen, te verlenen. In dit geval heeft het college ervoor gekozen om de kapvergunning te verlenen, gelet op de kans op stambreuk en het risico voor de omgeving en heeft daarbij het advies van zijn bomenadviseur gevolgd.
10 Verzoeker meent echter dat de kapvergunning overhaast en onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.
11. Het college mag in beginsel afgaan op het advies van zijn deskundige. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het college van een gegeven advies mag uitgaan nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
12. De voorzieningenrechter heeft geen redenen te twijfelen aan de door de bomenadviseur vastgestelde conclusie dat boom 1 deels nog in leven is. Volgens zijn conclusie heeft de grove den op ongeveer acht meter een meertakkige kroon gevormd, waarbij een brede kroon is gevormd. De conditie van de boom is slecht, een fors deel (minimaal twee zware gesteltakken) is afgestorven en een ander deel van de boom is afstervend. De boom is daardoor niet dood. Volgens de bomenadviseur is de toekomstverwachting van de boom slecht, de boom is onherstelbaar. Gelet op het omgevingsrisico is kap volgens de bomenadviseur gerechtvaardigd. Echter gezien de natuurwaarde van de boom is besloten om een stamdeel van minimaal acht meter te handhaven. Dit omdat staand dood hout waardevol is voor onder meer insecten en spechten. Het risico van stam- of takbreuk wordt met ingrijpende snoei weggenomen, terwijl de ecologische waarde van de boom deels behouden blijft. Wat verzoeker hiertegen heeft aangevoerd, dat het onzeker is of en wanneer de boom zal sterven, is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende om aan de conclusie van de bomenadviseur te twijfelen. Dat betekent dus dat het college het advies van zijn bomenadviseur heeft kunnen volgen.
Gevolgde procedure
13. Verzoeker betwijfelt of het college bij de vergunningverlening een bezwaarprocedure heeft gevolgd. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het college de wettelijke regels over bezwaar en bekendmaking heeft gevolgd.
Herplantplicht
14. Volgens verzoeker heeft het college ten onrechte geen herplantplicht opgelegd aan vergunninghouder. Ook dit onderdeel is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig. Op grond van de verordening is het college niet verplicht om een herplantplicht op te leggen bij het verlenen van een kapvergunning. In het kapbeleid is bepaald wanneer een uitzondering geldt voor de herplantplicht. Dit is onder meer het geval als een boom dood blijkt te zijn omdat een dode boom meestal in verband met de veiligheid moet worden gekapt. Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat ook rekening is gehouden met de grootte van het perceel en de aanzienlijke hoeveelheid bomen op het perceel, waardoor ook sprake is van een soort uitdunnen van het perceel, dat onderdeel van het onderhoud van een bos uitmaakt. De voorzieningenrechter kan dit volgen.
Belangenafweging
15. Gelet op het voorlopig rechtmatigheidsoordeel ziel de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit na heroverweging niet in stand kan blijven. Om die reden is er minder ruimte voor de belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om hangende de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghouder gebruik mag maken van de kapvergunning. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2025.
de voorzieningenrechter is niet in staat
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: