[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.J. Faber),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 12 juni 2023. In dit besluit heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn WIA-uitkering niet wijzigt. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Iemand die namens een ander een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
De indiener heeft bij het verzoekschrift geen recente machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen namens verzoeker. De datum van de machtiging is 21 juni 2023 en het adres in de machtiging komt niet overeen met het adres dat is opgenomen in het verzoekschrift. De rechtbank heeft de indiener bij brief van 27 augustus 2025 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen.
De indiener heeft het verzuim niet binnen die termijn hersteld.
De indiener heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: