[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. Eiseres heeft zich op 1 mei 2024 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen deze aanvraag heeft mogen afwijzen omdat hij te laat was ingediend.
Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 18 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 november 2024 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat deze is ingediend na 31 december 2023. Dat was de uiterste datum waarop aanvragen om compensatie in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) konden worden ingediend. Dat staat in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
3. Eiseres voert aan dat zij dacht dat zij bij Dienst Toeslagen bekend was, omdat haar zoon in 2023 bericht heeft ontvangen dat hij in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming op grond van de Kindregeling.
4. Dienst Toeslagen heeft bevestigd dat de zoon van eiseres een tegemoetkoming heeft ontvangen uit de Kindregeling, maar het is niet meer te achterhalen op grond waarvan dit gebeurd is. Duidelijk is wel dat dit niet is omdat eiseres als gedupeerde is erkend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres aan het feit dat haar zoon een tegemoetkoming heeft ontvangen niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat zij als gedupeerde in beeld was. Dit betekent dat eiseres zichzelf moest aanmelden.
5. Eiseres stelt dat zij zich op 10 augustus 2023 al heeft aangemeld. Zij overlegt bij haar beroepschrift een brief van die datum, waarin zij vermeldt dat ze graag in aanmerking wil komen voor een vergoeding van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen stelt deze brief nooit te hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat er in het dossier geen stukken zijn waaruit blijkt dat eiseres zich al in augustus 2023 heeft gemeld. Dit blijkt niet uit de telefoonnotities van gesprekken met Dienst Toeslagen op 5 juni 2024 en 9 september 2024. Pas tijdens de hoorzitting in bezwaar zegt eiseres voor het eerst dat zij zich al in augustus 2023 heeft gemeld. Dat is opmerkelijk. Ook zijn er geen objectieve gegevens, zoals een bewijs van aangetekende verzending, waaruit blijkt dat de brief in augustus 2023 is verzonden. Eiseres heeft ervoor gekozen om de brief met de gewone post te verzenden. Daarmee is het risico bij haar komen liggen dat zij de verzending van die brief niet kan aantonen. De enkele verklaring van eiseres en van haar vader dat zij de brief in augustus 2023 op de brievenbus heeft gedaan, is onvoldoende om aannemelijk te vinden dat de brief daadwerkelijk is verstuurd.
6. Dienst Toeslagen heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich voor het eerst aantoonbaar heeft gemeld op 1 mei 2024. Dat is te laat. Dit betekent dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet in behandeling hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025 door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.