RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5847
[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en
(gemachtigde: mr. E. Chahid), het college.
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit om de bijstandsuitkering van verzoekers te herzien. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 heeft het college het recht op bijstand van verzoekers herzien. Het college heeft besloten dat verzoekster vanaf 23 juli 2025 geen recht meer heeft op bijstand omdat zij geen geldige verblijfstitel (meer) heeft. Verder heeft het college besloten dat verzoeker met ingang van diezelfde datum recht heeft op 50% van de bijstandsnorm voor gehuwden. Tenslotte vordert het college in dit besluit de te veel ontvangen bijstand over de periode 23 juli 2025 tot en met 31 juli 2025 terug. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Spoedeisend belang
5. Bij de beoordeling van de spoedeisendheid is van belang of van verzoekers gevergd kan worden dat zij de beslissing op bezwaar afwachten. Verzoekers stellen dat zij een spoedeisend belang hebben gelet op hun financiële situatie. Het bedrag dat zij nu ontvangen als bijstandsuitkering ligt onder het bestaansminimum. Hun vaste lasten liggen al boven dit bedrag. Ook is er sprake van schulden. Het college heeft desgevraagd aangegeven dit door verzoekers aangegeven spoedeisend belang niet te betwisten.
6. De voorzieningenrechter neemt gelet op vorengaande aan dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij een voorlopige voorziening en zal het verzoek verder inhoudelijk behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
Rechtmatig verblijf
7. Verzoekers stellen zich primair op het standpunt dat verzoekster ten onrechte buiten de bijstandsverlening is gelaten. Verzoekster heeft namelijk nog altijd rechtmatig verblijf in Nederland. Zij heeft tijdig beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning. De IND heeft bepaald dat de uitzetting achterwege blijft zolang hier nog niet op is beslist. Ook stellen verzoekers dat het college zelfstandig had moeten beoordelen of er sprake was van rechtmatig (procedureel) verblijf en niet had mogen uitgaan van verblijfscode 98 in de Basisregistratie Personen.
8. Het toetsingskader is als volgt.
9. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
10. Volgens artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt, voor zover hier van belang, voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijk gesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (toegelaten was in Nederland), in Nederland (procedureel) rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vw en die aan de in het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ (Besluit gelijkstelling) gestelde voorwaarden voldoet.
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
11. Artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw bepaalt dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
12. In artikel 73 van de Vw is bepaald dat de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken, of indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.
13. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit gelijkstelling is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijk wordt gesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw (toegelaten is geweest), binnen de termijn van artikel 69, eerste lid, van de Vw bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat deze gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
14. Uit vaste rechtspraak volgt dat het een bewuste keuze van de wetgever is om op grond van de wet alleen rechtmatig verblijf toe te kennen aan vreemdelingen hangende het eerste rechtsmiddel tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag om of intrekking van een verblijfsvergunning, en niet hangende een volgend rechtsmiddel, en om aan dit verschil gevolgen voor bijstandsverlening te verbinden.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster op enig moment rechtmatig in Nederland verbleef en op grond daarvan een uitkering op grond van de Pw heeft ontvangen. De rechtbank gaat hier dan ook vanuit. Verder staat vast dat het college verzoekster buiten de bijstandsverlening heeft gelaten na het besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 23 juli 2025. In dit besluit heeft de minister het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning afgewezen. Het college heeft naar aanleiding van de BRP-code 98 contact opgenomen met de Ketenservicelijn van de IND die hebben bevestigd dat er op 23 juli 2025 sprake is geweest van een dergelijke beslissing. Hierop is het recht op bijstand van verzoekster beëindigd. Op grond van vaste rechtspraak mag het college als bijstandsverlenende instantie uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie van de IND. Het college hoeft niet zelf te beoordelen of er sprake is van (procedureel)rechtmatig verblijf. Dit betoogt van verzoekers volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.
16. Hangende het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 juli 2025 is er, mede gelet op de in 11 en 12 weergegeven bepalingen, geen sprake van een situatie waarin de uitzetting van verzoekster krachtens de wet achterwege moest blijven. Ook was geen sprake van een rechterlijke beslissing daartoe. Verzoekster mag weliswaar de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland afwachten, maar dat brengt geen rechtmatig verblijf met zich als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De door verzoekers in dit verband aangehaalde uitspraak leidt niet tot een ander oordeel nu dit geen vergelijkbare situatie betreft. Die uitspraak ziet immers op een asielprocedure terwijl hier sprake is van een reguliere verblijfsprocedure.
17. Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster hangende het beroep en de voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 juli 2025 niet voldeed aan het bepaalde in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van het gestelde vereiste van (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw. Daarom is er vanaf 23 juli 2025 geen sprake (meer) van gelijkstelling met een Nederlander en geen recht op bijstand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college verzoekster daarom niet ten onrechte buiten de bijstandsverlening gelaten vanaf 23 juli 2025. Het betoog van verzoekers slaagt dan ook niet.
Toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw
18. Subsidiair zijn verzoekers van mening dat het college op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw gebruik had moeten maken van haar bevoegdheid tot afstemming van de uitkering aan verzoeker. Door het recht op bijstand van verzoeker slechts vast te stellen op 50% van de gehuwdennorm doet de situatie zich voor dat twee personen moeten voorzien in alle noodzakelijke kosten van bestaan uit een bedrag dat nog lager is dan de norm voor alleenstaande. Dit is financieel onhaalbaar. Verzoekers raken hiermee onder het bestaansminimum, te meer omdat hun toeslagen eveneens zijn stopgezet en er sprake is van het ontstaan van schulden na het besluit van 23 juli 2025. Verder mag verzoekster niet werken en is verzoeker hier vanwege zijn medische situatie niet toe in staat. Het is daarom aangewezen de norm van verzoeker aan te passen tot tenminste het niveau van het bestaansminimum van een alleenstaande, aldus verzoekers.
19. De rechtbank stelt vast dat het college ter zitting heeft aangegeven dat naar aanleiding van de bezwaargronden van verzoekers in de bezwaarfase nader onderzocht moet worden of zich hier een situatie voordoet die aanleiding geeft om de bijstand met toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet af te stemmen. Partijen hebben afgesproken af te stemmen welke stukken hiertoe nog door verzoekers overgelegd dienen te worden en dat deze op korte termijn door het college beoordeeld zullen worden. Op dit moment blijkt uit de reeds overgelegde stukken naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende dat de vaste lasten van verzoekers hun inkomen overstijgt waardoor er een schrijnende situatie is ontstaan. Gelet hierop kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat het bezwaar op dit punt geen redelijke kans van slagen heeft.
20. Voor de vraag of dit moet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening weegt de voorzieningenrechter de belangen van partijen af en komt tot de conclusie dat het belang van verzoekers zwaarder weegt. Zoals hiervoor overwogen lijkt er een schrijnende financiële situatie te (zijn) ontstaan. Er is nog geen zicht op een beslissing op het beroep in de vreemdelingenprocedure en ook de termijn van de bezwaarprocedure loopt nog. Mocht het onderzoek in het kader van artikel 18 Pw niet tot afstemming leiden dan is het aan het college om hierover een gemotiveerde beslissing op bezwaar te nemen. Tot die tijd weegt het belang van eiser zwaarder dan de belangen van het college. De rechtbank zal daarom als voorlopige voorziening het college opdragen aan verzoeker een uitkering te verstrekken naar de norm van een alleenstaande totdat op het bezwaar is beslist. Conform het verzoek zal de voorzieningen rechter dit toewijzen met ingang van indiening van het verzoek.
Afzien van terugvordering
21. Tenslotte vinden verzoekers dat het college af zou moeten zien van terugvordering van de te veel betaalde bijstand van € 269,71.
22. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college bevoegd is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand, anders dan door schending van de inlichtingenverplichting, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Dat staat in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid, zodat het college bij toepassing van deze bevoegdheid ook de door verzoekers aangevoerde belangen moet betrekken. De voorzieningenrechter constateert dat dit in het bestreden besluit niet is gebeurd. Dit leidt echter niet op voorhand tot de conclusie dat het bezwaar van verzoekers op dit punt een redelijke kans van slagen heeft. Het college kan namelijk dit gebrek in het besluit op bezwaar nog herstellen door een belangafweging te maken en dit nader te motiveren. De voorzieningenrechter komt dan ook op dit punt tot het voorlopig rechtmatigheidsoordeel dat thans geen grond bestaat voor het oordeel dat het afwijzende besluit op dit punt, na heroverweging en aanvulling niet in stand kan blijven.
23. Voor de vraag of vorengaande moet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt weegt de voorzieningenrechter de belangen van partijen af en komt tot de conclusie dat hier het belang van het college zwaarder weegt. Het college heeft belang bij een goede en doelmatige besteding van gemeenschapsgeld en gelet op voornoemd voorlopig rechtmatigheidsoordeel is in deze belangenafweging minder ruimte voor het belang van verzoekers.
Conclusie en gevolgen
20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter bepaalt dat vanaf het indienen van de voorlopige voorziening aan verzoeker een uitkering moet worden verstrekt naar de norm voor een alleenstaande tot de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarnaast krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en bepaalt dat het college vanaf 8 oktober 2025 tot aan de bekendmaking van de beslissing op bezwaar een uitkering op grond van de Participatiewet aan verzoeker zal verstrekken naar de norm voor een alleenstaande.
- bepaalt dat het college de proceskosten van € 1.814, - aan verzoekers moet vergoeden.
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoekers moet vergoeden
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: