[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: A. Stokhof),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college
(gemachtigde: I. Steunenberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het college heeft aan verzoeker bij besluit van 25 maart 2025 een traplift met één bocht toegekend.
2. Verzoeker is het niet eens met de manier waarop de traplift gemonteerd gaat worden en heeft bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft verzoeker tweemaal eerder een voorlopige voorziening verzocht. Deze voorlopige voorzieningen zijn bij uitspraken van 15 augustus 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:4396) en 16 oktober 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:5424) kennelijk ongegrond verklaard wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Dit bezwaar is bij besluit van 22 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/6542.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. In deze procedure heeft verzoeker ten aanzien van het spoedeisend belang aangevoerd dat vast staat dat verzoeker een traplift nodig heeft en dat die traplift er op deze manier nooit komt. Subsidiair verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om het college te gebieden dat alle correspondentie met de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) wordt overgelegd.
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen dan voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die de toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen.
8. Bij besluit van 25 maart 2025 is aan verzoeker een traplift toegekend, maar verzoeker is het niet eens met de manier waarop de traplift wordt gemonteerd. Zoals reeds is geoordeeld in de uitspraken van 15 augustus 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:4396) en 16 oktober 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:5424) levert de levering en de plaatsing van de traplift geen spoedeisend belang op. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld hiervoor onder 7. heeft aangevoerd. Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: