RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
College van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2397
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de brief van verweerder.
Overwegingen
1. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Artikel 8:1 van de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van verweerder van 4 maart 2025. In deze brief stelt verweerder onder meer, in reactie op brieven van eiser, dat verweerder geen partij is in het persoonlijke geschil van eiser met vervoersbedrijven en uitzendorganisaties over hun aannamebeleid en dat zij niets kunnen met klachten over het handelen van deze bedrijven.
4. Deze brief is naar het oordeel van de rechtbank niet op een rechtsgevolg gericht. Die brief is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5. De bestuursrechter is daarom onbevoegd om op het beroep van eiseres te beslissen.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegdp.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
De griffier is buiten staatte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: