RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4898
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E.H. Siemeling).
Procesverloop
1. Eiser en zijn echtgenote hebben op 29 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Eiser heeft zich ter zitting laten bijstaan door [gemachtigde] .
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1963. Sinds 2001 hebben eiser en zijn echtgenote een schoonmaakbedrijf ( [bedrijf] ). Eiser en zijn echtgenote willen hun onderneming gaan beëindigen omdat eiser medische klachten heeft.
5. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser en zijn echtgenote geen recht hebben op een IOAZ-uitkering omdat hun gemiddelde inkomen over de afgelopen drie jaar gemiddeld hoger was dan € 30.968,- per jaar. Volgens het college wordt bij de berekening gehouden met het gezamenlijk inkomen. Er is volgens het college geen grond om op grond van het evenredigheidsbeginsel een IOAZ-uitkering toe te kennen.
6. Eiser voert in beroep aan dat het college het inkomen uit de onderneming ten onrechte volledig aan hem heeft toegekend. Dit zou naar rato (50% per vennoot) verdeeld moeten worden omdat het een gezamenlijke onderneming betreft.
7. Het doel van de IOAZ is het verschaffen van een uitkering aan (gewezen) zelfstandigheden op het niveau van het sociaal minimum. Is de gewezen zelfstandige gehuwd, dan komt de uitkering toe aan beide gehuwden gezamenlijk.
8. De systematiek van de IOAZ heeft de bedoeling te waarborgen dat de gewezen zelfstandige en zijn echtgenote ten minste de beschikking hebben over een minimuminkomen ter hoogte van de grondslag voor gehuwden. De IOAZ vult het inkomen dus aan tot voornoemde grondslag.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser en zijn echtgenote de aanvraag gezamenlijk hebben ingediend en dat het een uitkering betreft die hen gezamenlijk toekomt. Het college heeft daarom terecht de volledige inkomsten van eiser én zijn echtgenote uit de onderneming in aanmerking genomen. Omdat het inkomen van eiser en zijn echtgenote de laatste drie boekjaren gemiddeld meer bedroeg dan € 30.968,- per jaar heeft verweerder de uitkering mogen weigeren.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.