RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11790359 \ LC EXPL 25-1487
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V, handelend onder de naam [handelsnaam 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam 1] ,
gemachtigde: M. Verheij,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende te gemeente [.] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
[handelsnaam 1] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] in de periode van
20 januari 2025 tot en met 23 februari 2025 postpakketten verzonden en bezorgd. [handelsnaam 1] heeft daarvoor facturen van in totaal € 725,97 naar [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft die facturen niet betaald. [handelsnaam 1] vordert betaling van de facturen, met rente en kosten. [gedaagde] wil de facturen betalen, maar de bijkomende kosten niet. De kantonrechter stelt [handelsnaam 1] in het gelijk.
3. De beoordeling
[gedaagde] moet de facturen betalen
[gedaagde] heeft niet betwist dat zij de facturen voor het verzenden en bezorgen van de postpakketten aan [handelsnaam 1] moet betalen. De vordering van [handelsnaam 1] tot betaling van € 725,97 aan facturen wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
[handelsnaam 1] vordert de wettelijke handelsrente tot 23 juni 2025 berekend op € 26,36 en de wettelijke handelsrente vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft de wettelijke handelsrente niet afzonderlijk betwist. De gevorderde wettelijke handelsrente is op grond van de wet toewijsbaar.
[gedaagde] moet de bijkomende kosten betalen
[gedaagde] meent dat zij de bijkomende kosten niet aan [handelsnaam 1] verschuldigd is, omdat zij een betalingsregeling hadden afgesproken, de betalingsregeling na de eerste betaling meteen is komen te vervallen en [handelsnaam 1] één maand na het vervallen van de betalingsregeling direct een dagvaarding heeft gestuurd. [gedaagde] vindt dit disproportioneel en onredelijk. Zij heeft vanaf het begin af aan laten zien dat zij bereid is om te betalen. [handelsnaam 1] heeft daar tegenover onvoldoende geprobeerd om tot een redelijke oplossing te komen.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet. Uit de toelichting en stukken van [handelsnaam 1] volgt dat [handelsnaam 1] [gedaagde] meerdere malen heeft aangemaand om de openstaande facturen te betalen, maar [gedaagde] dat niet heeft gedaan. Bij e-mail van
22 april 2025 heeft de gemachtigde van [handelsnaam 1] aan [gedaagde] laten weten dat zij akkoord gaat met een betalingsregeling van minimaal € 25,00 per maand en dat na drie maanden een nieuwe betalingsregeling moet worden afgesproken. Op dat moment stonden vier facturen open. [gedaagde] heeft de eerste maand, volgens afspraak € 25,00, betaald. Daarna bleek dat [gedaagde] de vijfde factuur ook niet had betaald. De gemachtigde van [handelsnaam 1] heeft in een e-mail van 2 mei 2025 aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat de betalingsregeling daardoor kwam te vervallen. Zij heeft [gedaagde] opnieuw in de gelegenheid gesteld om het volledige openstaande bedrag te betalen of om een nieuw betalingsvoorstel te doen en [gedaagde] er op gewezen dat als geen betaling of betalingsregelingsvoorstel wordt ontvangen, de zaak aan de rechter zal worden voorgelegd en [gedaagde] een dagvaarding zal ontvangen. [gedaagde] heeft niet op de e-mail gereageerd. Zij heeft geen betalingen of betalingsvoorstel meer gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat de beslissing van [handelsnaam 1] om [gedaagde] te dagvaarden onder deze omstandigheden niet onredelijk of disproportioneel is. [handelsnaam 1] heeft [gedaagde] namelijk voldoende kansen geboden om tot betaling over te gaan of om een nieuwe, tweede, betalingsregeling te treffen, maar [gedaagde] heeft zelf steeds achterstanden laten ontstaan en niet meer gereageerd. [gedaagde] voert nog aan dat zij de facturen niet heeft kunnen betalen, omdat zij in financiële problemen was gekomen en [handelsnaam 1] daarvan op de hoogte was. De door [gedaagde] geschetste financiële omstandigheden doen echter, hoe vervelend ook, niet af aan haar betalingsverplichting en staan aan een toewijzing van de vorderingen van [handelsnaam 1] niet in de weg. De bijkomende kosten, zoals hierna genoemd, komen dus voor rekening van [gedaagde] .
Buitengerechtelijke incassokosten
[handelsnaam 1] vordert € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten. [handelsnaam 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten redelijk geachte tarief. De vordering zal daarom worden toegewezen.
Conclusie
Dit betekent dat [gedaagde] aan [handelsnaam 1] (€ 725,97 + € 26,36 + € 108,90 –
€ 25,00 =) € 836,23 met wettelijke handelsrente moet betalen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,73
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
801,23
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [handelsnaam 1] dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van partijen in hoger beroep gaat.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen € 836,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 700,97 vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 801,23, te betalen aan [handelsnaam 1] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
41264